J.J.C. Kabel
Webpublicaties 2002, aanvulling
'Publieke omroep op het web: oneerlijke overheidsconcurrentie?' JAVI 2002-2, p. 61-62
Jan Kabel
Publieke omroep op het web: oneerlijke overheidsconcurrentie? / De publieke omroepen willen wijds op het net. Men leze het Gezamelijk Plan Internet 2002 e.v. (http://www.omroep.nl). Ex-staatssecretaris Van der Ploeg stelt daartoe voor dit jaar 66 miljoen gulden ter beschikking. De omroep zelf nog eens 20 miljoen gulden. Over de consequenties van deze activiteiten voor de commerciële markt wordt nergens gerept. Kan dat allemaal zomaar?
De publieke omroep gaat op korte termijn bijna 40 miljoen euro spenderen aan internet. Marktpartijen als Ilse en de Telegraaf spreken van oneerlijke concurrentie, omdat de plannen gefinancierd worden met overheidsgelden. De European Publishers Council heeft al eerder dezelfde klachten neergelegd bij de Europese Commissie. Internetcoördinator Michel Mol van de publieke omroep, geciteerd in Adformatie van 12 juli j.l., wil niets weten van concurrentievervalsing. 'Bij ons komt de nadruk te liggen op audio en video. We hebben massa's materiaal dat al is gemaakt met belastinggeld en die met relatief weinig inspanningen geschikt zijn te maken voor internet.' Wie heeft gelijk? Is er sprake van concurrentie en zo ja is dat dan oneerlijke (overheids)concurrentie? En als die massa's materiaal met ons belastinggeld zijn gemaakt, moeten we dat materiaal dan ook niet gratis in huis kunnen krijgen? Nevenactiviteiten op het internet zijn in 1995 door het Commissariaat uitdrukkelijk in drie toelaatbare categorieën geclassificeerd: elektronische programmagidsen (EPG's) die dan aan de voorwaarden voor de gedrukte programmabladen moesten voldoen, het via internet doorgeven van programmaonderdelen aan derden dat als een vorm van (toelaatbare) directe merchandising werd gekwalificeerd en informatie-uitwisseling, d.w.z. het beschikbaar stellen van informatie over de omroepen zelf of hun programma's. Andere activiteiten op het net waren niet toegestaan. .
In 1997 werd een algemene regel ter beteugeling van oneerlijke concurrentie (art. 57a Mediawet) ingevoerd en stelde het Commissariaat voor de uitvoering van die regel een procedurele regeling op: de Richtlijn neven- en verenigingsactiviteiten publieke omroep 1999. Op basis van die richtlijn dienen nevenactiviteiten te worden gemeld en dienen omroepinstellingen desgevraagd aan te tonen dat de activiteiten voldoen aan de algemene regels van artikel 57a Mw., in het bijzonder aan de voorwaarde dat het verrichten van de nevenactiviteit niet leidt tot concurrentievervalsing ten opzichte van andere aanbieders van dezelfde of vergelijkbare goederen of diensten. De gedachte is dat vòòr 1997 toegestane nevenactiviteiten dat ook na die datum zijn. Tot nu toe (10 juli 2002) zijn alle internetactiviteiten van de publieke, landelijke omroepen niet in strijd geacht met art. 57a. Wat betekent dat nu voor het Gezamenlijk Plan Internet 2002 e.v. Dat Plan bevat zeker concurrentiegevoelige onderdelen, d.w.z. dat publiek gefinancierde informatiediensten zullen worden aangeboden die ook door commerciële instellingen (kunnen) worden aangeboden of voor de laatste onontbeerlijk zijn (online reclame). Ik noem onder meer uit het Plan: EPG-diensten, analyses van gebuikersprofielen (clickstream analyses, doelgroepsegmentatie), online marketing met linking naar sites van derden, commerciële exploitatie van de sites (reclame), aanbod van zoekdiensten, nieuwssites, sportsites, gezondheidssites (zoals thans http://www.gezondheidsplein/nl van de AVRO), gamesites, filmsites, muzieksites, doelgroepingangen (zoals thans Z@ppelin) en, vooralsnog ten behoeve van intern gebruik, van eigen access- en hostingdiensten alsmede de ontwikkeling van software t.b.v. webdiensten. Kabelexploitanten, krantenuitgevers, commerciële omroepen, tijdschriftuitgevers, consumentendata bureaus, houders van gamesites dan wel aanbieders van acces- en hostingdiensten zouden een zaak kunnen hebben bij het CvdM of de Nma, wanneer het aanbod van deze diensten met overheidssteun de concurrentie vervalst.
Wanneer is dat het geval? Een zuiver antwoord heden ten dage is: dat is altijd het geval, tenzij er sprake is van een wettelijk omschreven publieke taak op dit terrein die voorziet in behoeften die niet op adequate wijze door de markt kunnen worden aangeboden. Het Comité van Ministers van de Raad van Europa heeft aanbevolen dat publieke omroepen het internet op moeten kunnen om aldaar hun publieke taak, bevordering van een pluriform informatieaanbod, te vervullen (Recommendation No. R. (96) 10). De taak van de publieke omroep wordt aldus bijna (want waarom zou in die visie een publieke omroep dan ook geen opiniebladen mogen uitgeven?) technologieonafhankelijk gemaakt, maar is wel aan grenzen onderhevig. Het brede aanbod argument dat in ons land nog wel eens wordt gehoord, namelijk dat de publieke omroep nu eenmaal veel aan sport en amusement moet doen om kijkers naar hoogwaardiger programma's te kunnen blijven trekken, gaat op het internet natuurlijk niet op. Dat stelt al eerste grenzen aan de nevenactiviteiten van publieke omroepen op het net. Gamesites vallen dus af, ook al zijn die rechtstreeks gebaseerd op omroepprogramma's en bij sportsites kunnen vraagtekens worden gezet, ook al omdat ik althans niet kan inzien wat voor publieke taak daar ligt op het net en die informatie aldaar reeds ruimschoots te vinden is. De vraag of de publieke omroepsites kunnen worden gefinancierd door online reclame, zou m.i. ook negatief beantwoord moeten worden. De huidige STER is al een historische weeffout in het publieke bestel en we moeten die fout niet nog eens maken. Sluikvarianten van online reclame zijn uiteraard eveneens uit den boze, d.w.z. sponsoring door derden van publieke restactiviteiten met promotionele aandacht voor bepaalde diensten of goederen. Online marketing, een soort van teleshopping op het net, kan al helemaal niet. Voor EPG's (met alle mogelijke verschijningsvormen daarvan: op programma, op thema, met attenderingsdiensten via i-mode of e-mail) zou uitdrukkelijk geformuleerd moeten worden dat daar een publieke taak ligt voor de omroepen en de vraag is of de wetgever dat heden ten dage zonder schaamrood op zijn kaken uit zijn mond kan krijgen. Generen van consumentendata kan niet leiden tot exploitatie daarvan. Directe merchandising van uitgezonden programma's met de zoekmogelijkheden die het net biedt is natuurlijk, net zoals nu, mogelijk.Themasites die meer inhoud bieden dan wat de omroep al als omroep heeft geboden, concurreren met soortgelijke sites die door anderen worden aangeboden. Ligt daar nu een publieke taak? Ik vind het allemaal wel mooi en http://www.gezondheidsplein.nl van de AVRO lijkt op het eerste gezicht zeer informatief, makkelijk doorzoekbaar en niet-commercieel, maar de vraag is helaas niet of de omroepen iets moois moeten fabriceren op het web, maar of zij daar gelet op hun publieke taak wat te zoeken hebben. Ik weet het niet. Als ik de nieuwe Minister van Cultuur was zou ik daar eerst maar eens goed over na denken. En dan heb ik het nog niet eens gehad over het tweede probleem: hoeveel moeten wij voor die informatie betalen? Uit het voorstel van de Europese Commissie voor het hergebruik en de commerciële exploitatie van overheidsinformatie (COM (2002) 2067) volgt in ieder geval dat hergebruik van materiaal dat gèèn publieke taak dient, alleen tegen kostengeoriënteerde verstrekking met een redelijke winstopslag mag plaatsvinden aan derden, zonder uitoefening van intellectuele eigendomsrechten door de omroepen. Misschien vormt dat alleen al een rem op al te geestdriftige nevenactiviteiten op het web.
'Centrale Kredietinformatie en verwerking van persoonsgegevens (I)', Privacy
& Informatie 2002-6, p. 244-250
centrale Krediet informatie en verwerking van persoonsgegevens (I)
Jan Kabel
Jan Kabel is verbonden aan het Instituut voor Informatierecht van de Universiteit van Amsterdam en o.m. voorzitter van de Geschillencommissie van het Bureau Kredietregistratie en van de Privacy Commissie van de Universiteit van Amsterdam. De auteur is veel dank verschuldigd aan mr Louise Jonker, secretaris van de Geschillencommissie BKR. Deze bijdrage is een geactualiseerde en vermeerderde versie van een artikel uit 1994: J.J.C. Kabel, 'Kredietregistratie en kredietverlening', Privacy & Registratie 1994-1, p. 26-30. In het tweede deel van dit artikel, te verschijnen in P&I 2003-1, zullen de uitspraken van de Geschillencommissie nader worden geanalyseerd. Hieronder wordt het algemene kader aangegeven.
Trefwoorden: privacy, persoonsgegevens, kredietregistratie, creditscoring, creditreference, BKR
Een negatieve registratie bij het Bureau Kredietregistratie te Tiel kan hard aankomen. Hypotheekaanvragen worden geweigerd, de auto kan niet op afbetaling worden gefinancierd, bankpassen niet meer gebruikt, van persoonlijke leningen is geen sprake meer, postorderaankopen liggen moeilijker en veel mensen beschouwen het bericht van een kredietafwijzing wegens een negatieve registratie als een gevoelige aantasting van hun reputatie. Sommigen daarvan bellen in pure razernij het BKR; volgens een BKR-woordvoerder worden de medewerkers soms stijfgevloekt en zijn dreigementen als “ik sla je kop eraf” of “we laten een lijkkist bezorgen” niet ongebruikelijk. [1] Van de andere kant is iemand die in het geheel niet bij het BKR staat geregistreerd een dubieus persoon: van hem of haar is immers op kredietterrein in het geheel niets af te leiden uit het BKR-systeem. Dan kan men nog maar beter wel, en dan positief geregistreerd staat, d.w.z. als iemand die netjes zijn leningen afbetaalt. De gevolgen van het registratiesysteem kunnen dus aanzienlijk zijn en dat noopt tot een zorgvuldige omgang met de desbetreffende persoonsgegevens. Deze gegevens zijn overigens door de wetgever niet als bijzondere (voorheen gevoelige) gegevens gekwalificeerd. In dit artikel wordt een overzicht gegeven van wetgeving, rechtspraak en zelfregulering met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens op het terrein van de centrale kredietregistratie.
Juridische basis voor kredietregistratie
De Stichting Bureau Krediet Registratie (BKR) heeft blijkens haar statuten ten doel het bevorderen van een maatschappelijk verantwoorde dienstverlening op financieel gebied, onder meer door het beperken van risico's voor kredietverleners en het voorkomen van overkreditering bij consumenten. Met dit doel verwerkt het BKR persoonsgegevens: gegevens over natuurlijke personen worden verzameld, vastgelegd en geordend, en op verzoek ter beschikking van kredietverleners ('deelnemers' geheten in het BKR-systeem) en consumenten (geregistreerden of betrokkenen) gesteld.
De juridische basis voor deze (centrale) kredietregistratie door het Bureau Kredietregistratie is art. 9 jo. 14 Wet op het consumentenkrediet (Wck). Op grond van het eerste artikel is het verboden zonder vergunning krediet te verlenen. Aan de vergunning wordt ingevolge artikel 14 lid 2 het voorschrift verbonden dat de houder van de vergunning dient deel te nemen aan een stelsel van kredietregistratie. Dat stelsel is het BKR. Indien dat voorschrift is gegeven, is de houder ook verplicht, alvorens een krediet van meer dan € 1000,- te verlenen, een toetsing bij BKR te laten verrichten (art. 28 lid 2 Wck). [2] Die toetsingsplicht geldt alleen voor kredieten in de zin van de wet, d.w.z. voorzover hier van belang, door een professionele kredietgever aan een particulier, verleend niet-hypothecair (d.i. niet ten behoeve van de aankoop van een huis), (doorlopend) geld- of goederenkrediet tot € 40.000,-. Roodstanden tot drie maanden behoren tot het gewone betalingsverkeer en niet tot kredietverlening (zie art. 2-4 Wck).
Naast de specifieke toetsingsplicht bij het BKR, bestaat een algemene informatieplicht: de kredietgever neemt niet deel aan een krediettransactie zonder te beschikken over genoegzame, andere dan mondelinge, inlichtingen aangaande de kredietwaardigheid van de kredietnemer (art. 28 lid 1 Wck). Die bepaling is vooral geschreven voor de zelf kredietverlenende detailhandelaren. De verplichting is echter algemeen geformuleerd en beslaat een ruimer scala aan inlichtingen dan die welke uit een BKR-toets te voorschijn komen. De toelichting op de wet verstaat onder 'genoegzame inlichtingen' inlichtingen over de budgettaire positie (kredietwaardigheid), d.w.z. inzicht in zowel de inkomsten als bepaalde vaste uitgaven (bron en hoogte van het inkomen, eventuele nevenverdiensten, inkomsten van andere personen voor zover relevant, woonlasten, gas, water, licht, alimentatie, ziektekostenverzekering e.d. ('creditscoring'). [3] Van die inlichtingen behoeven overigens alleen de belangrijkste posten op hun juistheid te worden gecontroleerd door de kredietverschaffer. [4] De BKR-toets levert alleen inlichtingen op omtrent kredietverplichtingen ('creditreference'). De kredietgever dient bij afwijzing van de kredietaanvraag de aanvrager op diens verzoek schriftelijk opgaaf te doen van de reden daarvan, en wel zodanig dat de kredietnemer in staat is te beoordelen of de beslissing op grond van juiste en volledige gegevens is genomen (art. 29 lid 1 Wck). Deze verplichting wordt gekwalificeerd als het noodzakelijk complement van de plicht om over genoegzame inlichtingen te beschikken. [5] Daaruit volgt dat de kredietgever bij een beslissing over kredietverlening niet kan volstaan met uitsluitend een BKR toets. Deze meer omvattende plicht tot creditscoring is overigens ook neergelegd in de Ere Code van de Vereniging van Financieringsondernemingen in Nederland (VFN). [6]
Het BKR registreert overigens meer dan de krediettransacties als bedoeld in de Wet op het consumentenkrediet. De juridische basis voor registratie van dat meerdere is een contractuele: het Algemeen Reglement van de Stichting BKR. Inclusief de door de Wet op het consumentenkrediet bedoelde kredieten, registreert het BKR ingevolge het Reglement (art. 15 lid 1 en 2) in principe alle kredieten verstrekt aan natuurlijke personen met een looptijd langer dan drie maanden vanaf € 454,- tot en met het lage maximum van € 68.067, c.q. het hoge van € 113.445. Dat maximum verschilt per kredietvorm. Termijnkredieten, operational lease en borgstelling hebben het hoge maximum, doorlopend kredieten en verzendhuiskredieten het lage; bij de overige is er geen bovengrens. Telecommunicatievoorzieningen worden zonder bedrag verwerkt, evenals de hypothecaire kredieten, en bij saneringskredieten en schuldbemiddeling geldt geen ondergrens.
De te registreren kredietvormen die het Centrale Krediet Informatie (CKI) systeem van het BKR kent zijn: borgstelling (BS), creditcard (CC), debetstand op betaalrekeningen, geoorloofd en ongeoorloofd (DB), een weinig voorkomend educatief krediet (EK), huurkoop- en afbetalingstransacties (HK), hypothecair krediet (HY), operational lease, huur en verhuur van duurzame goederen (OL), persoonlijke lening (PL), revolverende geldleningen, rekening-courant kredieten en limieten op de betaalrekening voor niet-zakelijk gebruik (RK), overige obligo's (RO), schuldbemiddeling (SB), saneringskrediet (SK), telecommunicatievoorzieningen (TC), uitgestelde betaling (UB), verzendhuiskrediet (VK), winkelpas (WP) en zakelijk krediet met persoonlijke aansprakelijkheid (ZA).
Naast het Algemeen Reglement kent het BKR een Privacy Gedragscode, waarin regels worden gesteld ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer van betrokkenen van wie de gegevens worden verwerkt. Hierin is onder meer geregeld het recht op kennisneming door betrokkene van de hem betreffende, door het BKR verwerkte, persoonsgegevens (artikel 7) en het recht op correctie van onjuiste gegevens (artikel 9). Ook heeft betrokkene het recht op een opgave van de deelnemers aan wie in het jaar voorafgaande aan het verzoek hem betreffende persoonsgegevens zijn verstrekt (recht van protocol, artikel 8). In artikel 9 is voor betrokkene tevens de mogelijkheid opgenomen zich tot de Geschillencommissie BKR te wenden; in het Reglement Geschillencommissie BKR wordt een en ander nader uitgewerkt.
Praktijk van de kredietregistratie bij het BKR
Het systeem
Het CKI-systeem kan met de volgende trefwoorden nader worden getypeerd: [7]
gecentraliseerd;
in hoge mate exclusief systeem van registratie van kredietverplichtingen;
geautomatiseerd;
voorzien van summiere, gestandaardiseerde achterstandscoderingen en bijzonderheidscoderingen;
zonder eigen inbreng van de geregistreerde;
het gaat uit van een positieve registratie van gegevens (behoudens enkele uitzonderingen);
verstrekking en verkrijging van gegevens is passief;
het is gebaseerd op reciprociteit binnen een gesloten bronnen- en afnemerscircuit;
de gegevens zijn uitsluitend van toepassing op het desbetreffend individu; er vindt geen profilering plaats. [8]
De exclusiviteit en het centrale karakter van het systeem worden veroorzaakt doordat vrijwel elke instelling die consumentenkrediet verleent meedoet en daarnaast geen eigen activiteiten uitoefent op het terrein van registratie van kredietverplichtingen van particulieren. Het bestand van het BKR telt registraties van meer dan zes miljoen personen. Verstrekking gaat on line, beslaat zo'n 40.000 toetsingen per dag (13,9 miljoen toetsingen per jaar in 2001) [9] en betreft verstrekte kredieten en kredietmiddelen (zgn. positieve registratie) alsmede onregelmatigheden met betrekking tot de aflossing daarop. Van onregelmatigheden is in de regel pas sprake als het gaat om een achterstand van twee maanden na de gecontracteerde vervaldatum van een aflossing (A-code). Dergelijke achterstanden zijn, al naargelang de ernst van het geval, nader (dus naast de A-code) voorzien van een bepaalde bijzonderheidscodering.
Bijzonderheidscoderingen
De bijzonderheidscoderingen, opgenomen in het Algemeen Reglement en de Privacy Gedragscode van het BKR, zijn:
1. De vordering is geheel opeisbaar gesteld en in handen gegeven van een incassobureau, deurwaarder of gelijksoortige instantie, of, in geval van een hypothecaire kredietverlening: de procedure, leidende tot verkoop van de woning is in gang gezet;
2. Met betrokkene is een schuldregeling getroffen nadat zich een geval van achterstand als genoemd in artikel 22 lid 1 van het Algemeen Reglement heeft voorgedaan;
3. De winkelpas/creditcard werd ingetrokken, of er vond executoriale dan wel onderhandse verkoop plaats in geval van krediet met hypothecaire zekerheid, of verstrekte zekerheden zijn uitgewonnen in overige gevallen;
4. De betrokkene blijkt/bleek onbereikbaar;
5. Een bedrag van € 113 of meer, uitgezonderd finale kwijting, is afgeboekt, waarbij alleen wettelijke en contractueel overeengekomen componenten zijn opgenomen naast de resterende hoofdsom, of de schuldbemiddeling is mislukt;
6. Er is sprake van non-betaling (alleen bij zakelijke kredieten met persoonlijke aansprakelijkheid);
7. Er wordt aanspraak gedaan op de gemeentegarantie dan wel de nationale hypotheekgarantie, of de vordering werd direct opeisbaar gesteld en de borg werd aangesproken;
8. Een bedrag van € 113,- of meer is afgeboekt tegen finale kwijting.
H. Sinds 1996 kent het BKR een zogenaamde H(herstel)-code: deze houdt in dat een kredietnemer een geregistreerde achterstand wist in te lopen.
Gesloten gegevensverstrekking en onderzoek naar de juistheid en volledigheid
Bovenstaande gegevens worden verplicht aangeleverd door de deelnemers aan het systeem. Daarnaast zijn de deelnemers verplicht alvorens te besluiten tot kredietverlening een BKR-toetsing te verrichten. Aan niet-deelnemers worden geen gegevens verstrekt en gegevens worden ook alleen maar van deelnemers betrokken. Verzameling van gegevens uit openbare bronnen of anderszins vindt niet plaats. Het BKR kan dus ook niet controleren of de verstrekte gegevens juist zijn.
De onmogelijkheid van daadwerkelijke controle op de juistheid van de gegevens, houdt niet in dat er geen juridische zorgplicht bestaat om in te staan voor de juistheid van de geregistreerde gegevens. Eiste art. 5 lid 2 Wpr dat de houder voorzieningen treft ter bevordering van de juistheid van de opgenomen gegevens, de bijzondere bepaling van art. 13 lid 2 Wpr stelde een zwaardere voorwaarde door ten aanzien van informatiebureaus als het BKR te bepalen, dat slechts persoonsgegevens mogen worden opgenomen, die op hun juistheid zijn onderzocht. Deze onderzoekszorgplicht hield echter niet een resultaatsverplichting in om in te staan voor de juistheid van de opgenomen gegevens. [10] Afhankelijk van de aard van de betreffende gegevens en van de belangen die daarbij voor de geregistreerde in het geding kunnen zijn, diende het onderzoek meer of minder diepgaand te zijn. [11] De Wpr repte niet van een onderzoek door de houder zelf. De houder kon dus gegevens opnemen die door derden op hun juistheid zijn onderzocht. Deze uitbesteding van het juistheidonderzoek ontsloeg de houder echter niet van zijn zorgplicht. Afhankelijk van bovenvermelde factoren (aard gegevens en belangen geregistreerde) kon aan de zorgplicht soms voldaan zijn door een steekproefsgewijze controle op de methode van onderzoek die door de derde wordt gehanteerd; in andere gevallen dienden waarborgen te worden getroffen voor een meer diepgaand onderzoek dat betrekking heeft op de juistheid van gegevens in een concreet geval. De Registratiekamer stelde de eis dat er in ieder geval voldoende waarborgen moesten zijn om ervoor te zorgen dat iemand niet ten onrechte in een registratie wordt opgenomen, zeker niet wanneer het gaat om registraties die ingrijpende gevolgen kunnen hebben voor geregistreerden, zoals die met betrekking tot personen die voor bepaalde diensten, zoals verzekeringen of kredieten, geweigerd worden. Het moet tenminste duidelijk zijn op welke wijze is onderzocht of de opgenomen gegevens juist zijn. [12] De onderzoeksplicht kon tot problemen leiden in systemen waarin het informatiebureau voor de controle op de juistheid volledig afhankelijk was van zijn participanten die de gegevens aanleverden en op hun beurt weer verkregen. De in de toelichting op de Wpr genoemde afwegingsfactoren boden hiervoor geen oplossing. Deze informatiebureaus moesten hun aansprakelijkheid dus contractueel afwentelen op de participanten. Dat is dan ook wat het BKR in artikel 33 van zijn Algemeen Reglement heeft gedaan. [13]
Artikel 36 van het Reglement bepaalt daarnaast echter dat deelnemers gehouden zijn de verplichtingen neergelegd in de Statuten en het Algemeen Reglement na te komen en alles te doen om ervoor te zorgen dat de Stichting aan het Nederlands recht voldoet, in het bijzonder aan de Wet bescherming persoonsgegevens. De Wbp bepaalt thans in art. 11 lid 2 dat de verantwoordelijke de nodige maatregelen treft opdat de persoonsgegevens, gelet op de doeleinden waarvoor zij worden verwerkt, juist en nauwkeurig zijn. Het gaat hier, de toelichting meldt het uitdrukkelijk, alweer om een inspanningsverplichting. Er is geen verplichting om gegevens die door derden zijn verschaft zelf te verifiëren op hun juistheid, en zeker niet voor die gevallen waarin de verantwoordelijke verplicht is om dergelijke gegevens op te nemen. [14] Gelet op de juridische basis voor het kredietregistratiesysteem, kan inderdaad van een verplichting worden gesproken. Het systeem van de Wbp is dus opmerkelijk genoeg weer dat van art. 5 lid 2 Wpr; er geldt geen bijzondere onderzoeksplicht meer naar de juistheid van de op te nemen gegevens voor informatiebureaus zoals het BKR.
Bewaartermijnen
Verwijdering van de positieve kredietregistratiegegevens geschiedt op grond van artikel 27 van het Algemeen Reglement BKR vijf jaar na de einddatum van het krediet en van de achterstandsmeldingen vijf jaar na die meldingen. De bijzonderheidscoderingen bij lopende overeenkomsten worden eveneens vijf jaar na de melding uit het bestand verwijderd, tenzij de deelnemer aangeeft dat de melding gehandhaafd dient te blijven in verband met de feitelijke situatie. Verwijdering van achterstandsmeldingen van kredietsoorten die alleen bij negatieve ervaringen worden geregistreerd (bijv. hypotheken) geschiedt pas na opgave van de kredietinstelling.
Voor zakelijke kredieten met persoonlijke aansprakelijkheid gelden eigen regels. Indien na vastlegging van code 2 de aflossingsregeling volledig wordt nagekomen en de schuld volledig wordt afgelost, wordt de betreffende overeenkomst onmiddellijk verwijderd. Als code 8 wordt toegekend, wordt de overeenkomst vijf jaar na de toekenning van deze code verwijderd; in het geval van code 6 blijft de overeenkomst onbeperkt geregistreerd staan. Meer in het bijzonder komt het systeem van bewaartermijnen op het volgende neer:
Onproblematische krediet(faciliteit): vijf jaar na de werkelijke einddatum van het krediet, c.q. de kredietfaciliteit op initiatief van de Stichting;
overlijden geregistreerde: een jaar na overlijdensmelding van een geregistreerde door een deelnemer op initiatief van de Stichting;
achterstandsmelding: vijf jaar na melding van een achterstand op initiatief van de Stichting;
herstelcode: vijf jaar na melding van een herstelcode en indien gekoppeld aan een oudere achterstandsmelding, op het moment van verwijdering van de achterstandsmelding;
achterstandscodering bij lopende kredieten: vijf jaar na melding van de codering, tenzij de deelnemer door middel van een vervolgmelding heeft aangegeven dat de melding gehandhaafd dient te blijven;
akelijke kredieten met persoonlijke aansprakelijkheid:
schuldregeling: onmiddellijke verwijdering na volledige aflossing van de schuld conform de regeling;
afboeking tegen finale kwijting: vijf jaar na registratie van de afboeking;
Non betaling: geen termijn.
De Registratiekamer heeft met betrekking tot deze bewaartermijnen onder het regime van de Wpr het volgende opgemerkt: [15]
. Niet duidelijk is waarom een zelfde standaard bewaartermijn wordt gehanteerd voor afgelopen kredietgegevens mét en soortgelijke gegevens zonder achterstandsmeldingen;
. een bewaartermijn korter dan vijf jaar voor afgelopen kredietgegevens zonder achterstandsmelding lijkt voldoende om de kredietreputatie van de desbetreffende kredietaanvrager in te kunnen schatten;
. De duur van de bewaartermijn moet worden vastgesteld in het licht van het doel van de kredietregistratie. Dat doel is tweeledig, aldus de kamer, te weten inzicht in de draagkracht van geregistreerde bij registratie van lopende kredieten en inzicht in de kredietreputatie van geregistreerde bij afgelopen kredieten.
Zoals hierboven al opgemerkt, is er op zichzelf niets mis met een positieve registratie en kan die doorgaans alleen maar in het voordeel werken van betrokkene. Verkorting van de bewaartermijn dient dus op het eerste oog geen privacybelang. Hoogstens zou men hier de keuze aan betrokkenen kunnen laten en een opt-out mogelijkheid kunnen bieden.
In de na te noemen uitspraak van het Amsterdamse Hof van 16 mei 1991 is de termijn van vijf jaar niet onredelijk lang geoordeeld. Rechtsvergelijkende gegevens over bewaartermijnen, gehanteerd door kredietregistratie bureaus zijn moeilijk te vinden. In 1993 publiceerde het Instituut voor Informatierecht in opdracht van de Europese Commissie een studie over de stand van zaken in de toenmalige lidstaten van de gemeenschap. [16] Aan deze studie ontleen ik de volgende summiere gegevens. Ingevolge het Belgische Koninklijk Besluit inzake de Registratie bij de Belgische Nationale Bank van consumentenkrediet van 20 november 1992 worden de persoonsgegevens bewaard voor een termijn van twee jaar na regelmatige aflossing van het krediet en voor een termijn van tien jaar na het ontstaan van de schuld indien deze niet is afgelost. De Deense Private Registers Act van 1978 kende een regeling op grond waarvan kredieten in beginsel niet mogen worden geweigerd op basis van gegevens die meer dan vijf jaar oud zijn. Het Deense (particuliere) RKI Kredit Information verwijdert persoonsgegevens na aflossing van de schuld en altijd vijf jaar na eerste registratie. De Franse regeling met betrekking tot een nationaal bestand inzake kredietregistratie kent een bewaartermijn van drie jaar na registratie voor onproblematische en een termijn van vijf jaar voor problematische kredieten. Het Duitse Schufa verwijdert gegevens in beginsel vijf jaar na registratie. BHG 21juli 1985, D&D 3/1989, p.150 e.v. staat het Schufa echter toe gegevens over onregelmatigheden in de betaling te bewaren voor een periode van slechts drie jaar, ook al is de schuld met behulp van rechterlijke maatregelen binnen die periode betaald. Het Ierse Credit Bureau Ltd. kent een maximale periode van vijf jaar zowel voor positieve als voor negatieve kredietinformatie. Het Italiaanse Consorzio per la Tutela del Credito hanteert een vijf jaar periode. De Spaanse Asociacion Nacional de Entidades de Financiacon hanteert een periode van vijf jaar na aflossing van de schuld. Het Engelse INFOLINK, CCN en Equifax houden een termijn aan van zes jaar voor negatieve kredietinformatie. De Zwitserse Zentralstelle für Kreditinformation (ZEK) hanteert een termijn van vijf tot tien jaar bij incassomaatregelen, van drie tot vijf jaar bij andere negatieve ervaringen en van drie jaar bij regelmatig verlopend krediet. [17] De Art. 20 Working Party van de EU heeft nog geen documenten afgescheiden over dit onderwerp, maar is momenteel bezig met een algemeen voorstel over zwarte lijsten en zal in de toekomst aandacht besteden aan kredietregistratie. Een werkgroep van het BKR heeft dit jaar na ampele discussie geadviseerd het bestaande systeem grotendeels intact te laten. De Geschillencommissie is overigens bevoegd om in voorkomende gevallen te toetsen of het bewaren van de geregistreerde gegevens noodzakelijk is, gelet op het bepaalde in artikel 10 en 11 van de Wbp.
WSNP en bewaartermijnen
De Wet schuldsanering natuurlijke personen (Wsnp) van 1998 is een aanvulling op de Faillissementswet en biedt natuurlijke personen met uitzichtloze financiële problemen een extra mogelijkheid voor een schuldenvrije toekomst. Wanneer de schuldenaar de in het kader van deze vorm van schuldsanering opgelegde afspraken getrouw naleeft, verkrijgt de schuldenaar aan het eind van de saneringsperiode een 'schone lei'. Het onbetaald gebleven gedeelte van de schulden, behoeft dan niet meer te worden betaald; de resterende schulden blijven als natuurlijke verbintenis bestaan, net zoals bij verjaring van een vordering. In dat geval registreert het BKR een code 5 (een bedrag van € 113 of meer, uitgezonderd finale kwijting, is afgeboekt)en voegt na verkrijging van de schone lei verklaring een einddatum toe zodat de registratie na vijf jaar komt te vervallen. Uit een oogpunt van juiste informatie – code 5 bevat ook de informatie dat de schuldbemiddeling is mislukt - zou een afzonderlijke schone lei–code m.i. beter op zijn plaats zijn.
Rechtspraak vóór de Wpr
Voor de uitleg van de vaak zeer abstracte termen in de Wet bescherming persoonsgegevens is de rechtspraak van vòòr de Wet persoonsregistraties van belang en uiteraard ook de straks te behandelen rechtspraak onder de Wet persoonsregistraties en de Wet bescherming persoonsgegevens. Die rechtspraak betreft bijvoorbeeld de betekenis van het begrip 'juistheid' van de gegevens, een begrip dat onder Wbp uitleg behoeft. De rechtspaak wordt hier beknopt weergegeven.
Weet de verstrekker van gegevens dat geregistreerde een groot belang heeft bij het geheim blijven van door hem overgelegde gegevens aan verstrekker, dan levert verstrekking wanprestatie op. Op exoneratieclausules kan in zo'n geval geen beroep worden gedaan. [18] Die geheimhoudingsplicht geldt echter niet voor kredietgegevens als zodanig. Een bankier heeft geen geheimhoudingsplicht. [19]
Het standaardarrest is Van der Velde/Groninger Financieringsbank [20] inzake een waarschuwingssysteem tussen kredietinstellingen. De Hoge Raad beoordeelde daarin de plaatsing op een zwarte lijst van de huurkoper van een auto ook nadat tussen hem en de financieringsinstelling een schikking was getroffen. De vraag of de financieringsinstelling verplicht is om maatregelen te treffen die ertoe kunnen leiden dat de naam van de huurkoper van de zwarte lijst verdwijnt, moet beoordeeld worden naar de omstandigheden van het geval. Als de doorgegeven waarschuwing betrekking heeft op een vordering waarvan achteraf blijkt dat deze de financieringsinstelling niet toekwam, kan de instelling verplicht zijn die maatregelen te nemen. In dit geval had de huurkoper nog niet geheel aan zijn verplichtingen uit de schikking voldaan en mocht zijn naam op de lijst geplaatst blijven. De onrechtmatigheid van de verstrekking wordt dus bepaald door de mogelijke onjuistheid van de gegevens.
Bij de vraag naar de juistheid van de geregistreerde gegevens, kunnen alle relevante gegevens in aanmerking worden genomen. Wie in het kader van een faillissementsakkoord finale kwijting voor een geldlening is verleend, kan geen aanspraak maken op verwijdering van een (A)5 Code [21] bij het Bureau Krediet Registratie, indien vaststaat dat hij nimmer stipt en steeds uiterst moeizaam heeft betaald, er rechtsmaatregelen nodig waren om hem tot betaling te dwingen en de kwijting is geschied in het kader van een dwangakkoord. [22] Wie aan de andere kant als gevolg van gewijzigde levensomstandigheden niet in staat is een plankrediet naar behoren af te lossen, maar zich, na tien jaar stipt betaald te hebben, tijdig tot de bank wendt, en met deze tegen finale kwijting betaling van een lager bedrag overeenkomt, kan wél aanspraak maken op verwijdering van de belastende (A)5 codering. [23] In deze laatste zaak onderkent het Hof dat het uiterst moeilijk, zo niet ondoenlijk is de barrière van de achterstandcodering (A)5 te doorbreken. Van de bank mocht - ondanks haar verplichting de achterstand te melden bij het BKR - worden verwacht, dat zij, gelet op de bijzondere omstandigheden van het geval, ervoor zorg had gedragen dat de belastende (A)
5 codering voor geïntimeerde werd voorkomen. In het algemeen, aldus het Hof, zal er voor moeten worden gewaakt, dat onjuiste, cq. minder juiste coderingen worden gebruikt, waardoor ten detrimente van cliënten van de deelnemers van het BKR een foutief beeld wordt geschapen.
Deze genuanceerde rechtspraak behoudt zijn geldigheid; aan
het begrip 'juistheid' van de gegevens is immers door de wetgever in de Wpr noch
in de Wbp een beperkende interpretatie gegeven. Deze rechtspraak vormt een rem
op al te geautomatiseerde registratie.
Hof Amsterdam heeft ten aanzien van de juistheid van door het BKR geregistreerde kredietgegevens geoordeeld dat achterstand achterstand is en als zodanig mag blijven geregistreerd, ook al is de achterstand vervroegd afgelost, de schuld van geringe hoogte en de financiële positie van geregistreerde inmiddels verbeterd. [24] Tevens oordeelde het hof dat de bewaartermijn van vijf jaar niet onredelijk lang is, maar dat zulks anders kan zijn in gevallen waarin het mede aan de deelnemer te wijten is dat de debetstand is ontstaan. De veronderstelling waar de rechter bij deze rechtvaardiging van het BKR systeem van uitgaat, is dat deelnemers niet verplicht zijn een krediet te weigeren en dat registratie in de praktijk slechts één van de factoren is die bij de beoordeling van een kredietaanvraag een rol speelt. De laatste veronderstelling moet dus in de praktijk verwezenlijkt zijn, d.w.z. een louter op het BKR-systeem berustende afwijzing zou uit den boze moeten zijn. In de zaak VdB/Stichting BKR [25] oordeelde het hof echter dat de rechtbank door de vraag onder ogen te zien of een de registratie nog gehandhaafd diende te blijven, in dit geval buiten het geschil tussen partijen trad. VdB had namelijk geen ander standpunt ingenomen dan dat de registratie onjuist was, terwijl vaststond dat de registratie juist was; het verzoek van VdB ontbeerde dus een feitelijke grondslag. Hof Arnhem tenslotte, in de zaak B/Stichting BKR, [26] laat zien tot welke moeilijke spagaat de registratie van persoonlijke aansprakelijkheid voor schulden van een vennootschap leidt. Het hof oordeelt dat de registratie weliswaar B als persoon betrof, maar dat de gevorderde schade voorzover die bestond uit hogere financieringslasten en gederfde winst, voorzover die schade al zou komen vast te staan ( quod non , wegens het ontbreken van oorzakelijk verband tussen registratie en schade), geleden is door de vennootschap en tegenover die vennootschap heeft het BKR niet onzorgvuldig kunnen handelen om de eenvoudige reden dat schulden van vennootschappen door het BKR niet worden geregistreerd.
slotopmerking
Het is nog te vroeg om op deze plaats conclusies te trekken. Daartoe dient
het systeem in zijn geheel te worden bezien, dus inclusief de toepassing van het
bovenstaande algemene kader door de Geschillencommissie. Wel wil ik hier alvast
concluderen dat de Wbp een lichtere zorplicht kent dan de Wpr voor
informatiebureaus zoals het BKR, dat de gehanteerde bewaartermijnen door de bank
genomen sporen met wat internationaal gebruikelijk is en voorzover het de
termijn betreft van vijf jaar na een achterstandscode in ieder geval gehonoreerd
zijn door de Nederlandse rechter. Voorts zou het m.i. aanbeveling verdienen bij
de positieve registratie een opt out mogelijkheid te bieden en een afzonderlijke
schone-lei-code in te voeren omdat die vollediger informatie bevat dan de
huidige codering.
'Reclamerecht en oneerlijke mededinging, Kroniek van wetgeving,
jurisprudentie en literatuur 2001', IER 2002-2, p. 75-79
Reclamerecht en oneerlijke mededinging
J.J.C. Kabel
Overzicht van Europese en Nederlandse wetgeving, rechtspraak en literatuur op het terrein van oneerlijke mededinging en reclamerecht Tegenover de liberalisering van sales promotions staat de beperking van tabaksreclame en sponsoring. Met de inwerkingtreding van de Richtlijn elektronische handel is toepassing van het zogeheten land van oorsprong beginsel opnieuw bevestigd. Dat beginsel is in de literatuur zeer omstreden, maar dreigt thans ondermijnd te worden door de Commissie zelf. In haar Groenboek over Consumentenbescherming in de EU doet de Commissie voorstellen voor een algemene kaderrichtlijn voor oneerlijke handelspraktijken. Zij wijst een specifieke benadering van louter deelgebieden af en stelt een systeem voor van algemene regels met regelingen voor deelgebieden. Het is de oude discussie over de vraag hoe de oneerlijke mededinging dient geregeld die de Nederlandse juristen al vanaf 1903 bezighoudt. Het land van oorsprong beginsel biedt in ieder geval de zekerheid dat met het voldoen aan de bepalingen van dat land een adverteerder in beginsel in alle landen van de Unie terecht kan. In de discussie over een nieuw grondwetsvoorstel is opmerkelijk dat de voorgestelde regeling voor handelsreclame steeds overeind blijft. Zelfregulering op het terrein van tabak en alcohol wordt onvoldoende werkzaam geacht Het wetsvoorstel ter implementatie van de Richtlijn vergelijkende reclame biedt op zichzelf niet zoveel bijzonders in vergelijking met de tekst van de richtlijn zelf. Wel wordt een duidelijke keuze gemaakt ten aanzien van reclame in het vrije beroep. Vergelijkende reclame en volksgezondheid zijn de trefwoorden in de rechtspraak van het HvJEG en de Nederlandse rechtspraak
Wetgeving
De regulering moet zeer voortvarend ter hand worden genomen, het object is fundamenteel voor de marketing van goederen en diensten, het gaat over meer dan een miljoen banen en de omzet in negen lidstaten bedroeg minstens 40 miljard euro: men zou menen dat de Commissie die hier aan het woord is, nu eindelijk eens haast had gemaakt met harmonisering van het oneerlijke mededingingsrecht, maar nee, het gaat om sales promotions. [27] Toegegeven: de regeling die de Commissie voor ogen staat, bestrijkt een ruim gebied: kortingen, premiums, geschenken, prijsvragen en spelletjes, maar de indruk dat de berg hier een muis heeft gebaard laat zich bij mij althans niet gemakkelijk wegnemen. Met de grootst mogelijke inspanningen (drie opinies van de Expert Groep over twee en een half jaar en een grootscheepse 'assessment procedure' conform het Groenboek protocol) wordt hier een klein onderdeel van de commerciële communicatie geregeld. Niettemin: het is kwalitatief gezien geen onbelangrijk onderdeel. Consumenten vallen immers gemakkelijk voor kortingen, cadeautjes, Sweepstakes enzovoort. Het staat vast dat de nationale regelingen terzake uitblinken door een ongekende variatie aan beperkingen die eventuele grensoverschrijdende acties niet gemakkelijk maken. En de ervaring met grensoverschrijdende sales promotions is dat die doorgaans misleidend zijn. Wij hebben in Nederland al veel beperkingen (Uitverkopenwet, Wet beperking cadeaustelsel) afgeschaft en vertrouwen op het repressieve verbod van misleiding ter bescherming van de consument. Zo niet de Commissie: het annex bij de door haar voorgestelde regeling bevat een zeer gedetailleerde lijst van informatie die per categorie van sales promotion moet zijn geleverd. Dat is niet verkeerd; het gevolg is wel dat de consument steeds meer informatie tot zich zal moeten nemen. Bovendien zal hij er ook meer om moeten vragen: het voorstel onderscheidt tussen actieve informatieverschaffing en informatie op verzoek.
De Commissie stelt geen richtlijn voor op dit punt, maar een verordening. Zij kan dat doen, omdat zij naar haar zeggen precies kan aangeven op welke punten concrete regulering noodzakelijk is. Het gaat haar om prijstransparantie voor de consument, om bescherming van leveranciers tegen dumping van hun artikelen, om bescherming van kinderen en minderjarigen en om het vergemakkelijken van buitengerechtelijke afdoening van klachten. De verplichte prijsinformatie moet de consument duidelijk maken wat voor voordeel hij precies krijgt. De regeling met betrekking tot dumping betreft informatie die ertoe dient de leverancier van de gedumpte producten de mogelijkheid te bieden dumping tegen te gaan. Daartoe dient op het product of bij de dienst zelf te worden aangegeven dat het om verkoop beneden de kostprijs gaat en dient de dumper dergelijke informatie ook op verzoek te verstrekken. De maatregelen ter bescherming van kinderen en minderjarigen bevatten een verbod op gratis verstrekking van alcoholische drankjes, een verbod op directe verspreiding van samples en monsters aan kinderen die een gevaar voor de gezondheid van kinderen kan inhouden en een verbod persoonsgegevens van kinderen te verzamelen zonder de voorafgaande toestemming van hun wettelijke vertegenwoordigers. [28] Het vergemakkelijken van buitengerechtelijke afdoening geschiedt door een omkering van de bewijslast met betrekking tot het hebben voldaan aan de informatieplichten, door een verplicht operationeel en gratis klachtenadres en een verplichte termijn voor schriftelijke beantwoording van de klacht alsmede door de publicatie van gedragscodes. Al met al een stevig geheel van plichten met als beloning verplichte afschaffing van verboden en beperkingen van sales promotions en een vrij verkeer van dergelijke acties en de bijbehorende commerciële communicatie in de landen van de Unie.
Tegenover de liberalisering van sales promotions staat de beperking van tabaksreclame en sponsoring. De vernietiging van de eerdere Richtlijn door het HvJEG [29] heeft de niet-grensoverschrijdende kantjes van het project afgeslepen; de Commissie heeft dat ter harte genomen en een nieuwe richtlijn voorgesteld die uitsluitend betrekking heeft op het vrije verkeer en de bijbehorende grensoverschrijdende effecten. [30] Zij beperkt haar voorstel derhalve tot media met een mogelijk grensoverschrijdend effect: pers en andere gedrukte publicaties, radio en internet en sponsoring van evenementen met grensoverschrijdende effecten.Voor al die media geldt een algeheel verbod van tabaksreclame. Radioprogramma's mogen niet door tabaksproducenten worden gesponsord. De sponsoring van evenementen met een grensoverschrijdend effect is tenslotte ook verboden. Televisiereclame en sponsoring voor tabaksproducten is reeds verboden door de TV-Richtlijn. De deadline is 30 juli 2005. Dat is natuurlijk winst voor de tabaksindustrie maar op de lange termijn een schrale winst. Vormen van zogenaamde indirecte reclame (parallelle reclame) valleen niet onder het voorstel. De Commissie werkt aan een voorstel terzake voor een Aanbeveling aan de Raad op grond van de artikel 152 en 153 van het EU Verdrag.
Met de inwerkingtreding van de Richtlijn elektronische handel
is toepassing van het zogeheten land van oorsprong beginsel opnieuw bevestigd.
Dat beginsel is in de literatuur zeer omstreden, maar dreigt thans ondermijnd te
worden door de Commissie zelf. In haar Groenboek over Consumentenbescherming in
de EU [31] doet de Commissie
voorstellen voor een algemene kaderrichtlijn voor oneerlijke handelspraktijken.
Zij wijst een specifieke benadering van louter deelgebieden af en stelt een
systeem voor van algemene regels met regelingen voor deelgebieden. Het is de
oude discussie over de vraag hoe de oneerlijke mededinging dient geregeld die de
Nederlandse juristen al vanaf 1903 bezighoudt. Introductie van algemene
clausules leidt onvermijdelijk tot rechterlijke interpretatie en dus tot
rechtsonzekerheid op nationaal en internationaal niveau, zo luidde steeds de
kritiek en dat geldt dus ook de voorstellen van de Commissie. Anderzijds is het
zonder algemene clausuleringen onbegonnen werk nieuwe vormen van oneerlijke
handelspraktijken aan te pakken. Het land van oorsprong beginsel biedt in ieder
geval de zekerheid dat met het voldoen aan de bepalingen van dat land een
adverteerder in beginsel in alle landen van de Unie terecht kan. Uitleg van
algemene regels op nationaal niveau doet af aan die zekerheid.
In de discussie over een nieuw grondwetsvoorstel is opmerkelijk dat de voorgestelde regeling voor handelsreclame steeds overeind blijft. Het bijzondere van die regeling is dat anders dan voorheen delegatie slechts mogelijk is ter bescherming van twee limitatief opgesomde belangen, dat van de bescherming van de gezondheid en in het belang van de veiligheid. [32] De normen voor de wetgever worden dus wat strakker aangespannen en dat lijkt verstandig wanneer men naar de huidige hausse aan wetsvoorstellen kijkt die voorliggen. Het tijdperk van zelfregulering is voorbij: de wetgever neemt de beteugeling van ongewenste vormen van reclame op het terrein van de gezondheid in de meest ruime zin zelf ter hand. Er ligt een voorstel voor een nieuwe Tabakswet bij de Eerste Kamer dat ongeveer identiek is aan de door het HvJEG vernietigde richtlijn, de Alcoholnota 2001-2003 vormt de basis voor regelgeving bij en krachtens de Drank- en Horecawet met betrekking tot de marketing van alcoholische dranken, er komen aangescherpte normen voor geneesmiddelenreclame in het Besluit geneesmiddelenreclame [33] en aan het aanbod van kansspelen op het internet zullen stringente voorwaarden worden gesteld. [34] Zelfregulering op het terrein van tabak en alcohol wordt onvoldoende werkzaam geacht. Naast deze zelfstandige initiatieven van de Nederlandse overheid, worden twee richtlijnen geïmplementeerd. Van de eerste, die over vergelijkende reclame, ligt een wetsvoorstel ter behandeling voor bij de Tweede Kamer, van de tweede, over elektronische handel, ligt een voorstel bij de Raad van State. [35] De Nederlandse Reclame Code is al aangepast aan de Richtlijn: artikel 14 NRC bevat de letterlijke tekst van de voorwaarden voor toelaatbare vergelijkende reclame.
De wijziging van de Tabakswet behelst een algeheel publieksreclame- en sponsoringverbod. De oude tijden waarin tabak als een geneesmiddel werd beschouwd, zijn juridisch gezien, terug. Alleen vaktijdschriften en speciaalzaken zullen nog publiciteit voor tabak mogen bevatten. “De reclame mag de winkel niet verlaten”, ik citeer nu een ambtenaar van VWS. Op basis van het Regeeraccoord 1999 is door parlement en regering eenstemmig gekozen voor invoering van het stelsel van de oude EG-richtlijn. Zoals het lid Oudkerk stelde: “We gaan gewoon door. We nemen de wet aan en achteraf merken we het dan wel.” [36] De richtlijn is, zoals bekend, vernietigd door het HvJEG omdat zij ook louter nationale activiteiten regelde die niets te maken hadden met de interne markt. De regering heeft het wetsvoorstel genotificeerd bij de EC en overigens wel beloofd zonodig de Tabakswet aan te passen aan een nieuw richtlijn voorstel. [37] Wellicht is dat nodig om interne discriminatie te voorkomen. Ingevolge artikel 8 van het voorstel voor een nieuwe richtlijn mogen de lidstaten immers het vrije verkeer van producten of diensten die aan de richtlijn voldoen niet verbieden of beperken. De nieuw voorgestelde richtlijn nu verbiedt wel veel, maar niet alles. Bioscoopfilms vallen er bijvoorbeeld buiten en allerlei merchandising materiaal ook. Buitenreclame anders dan die in gedrukte vorm eveneens. Nu zijn die vormen van reclame doorgaans louter nationaal van aard en zullen zij dus niet zo gauw onder het verbod van het voorgestelde artikel 8 vallen, maar er zijn natuurlijk allerlei omwegen denkbaar die dan tot vreemde publiciteitsvormen kunnen leiden. De rechtspraak van het HvJEG die op het terrein van de gezondheid veel overlaat aan de lidstaten, [38] helpt dan niet omdat de desbetreffende publiciteitsvorm is geharmoniseerd.
Met de behandeling van de Alcoholnota is een basis gelegd voor wetgeving in plaats van, zoals nu, zelfregulering. De aanpak zal die zijn van een AMvB: er komt een Reclamebesluit op basis van art. 2 van de Drank- en Horecawet. Dat besluit zal in ieder geval een algeheel verbod bevatten van reclame gericht op jongeren en – betrekkelijk uniek – de bestaande gedragscodes algemeen verbindend verklaren. Deze mogelijkheid, al eerder geopperd in een SER-rapport en daar als de Koninklijke Weg betiteld, [39] maakt de bestaande zelfregulering effectiever, zo is de gedachte. [40] De taak van de RCC vervalt dan; in de plaats daarvan krijgen adverteerders te maken met actief toezicht door de Keuringsdienst van Waren.
Kansspelen kunnen als een vorm van sales promotion worden gebruikt. Het al genoemde voorstel voor een EG-verordening is niet van toepassing op zuivere kansspelen, d.w.z. op spelen waarvan het voornaamste doel is geld te winnen en waarbij een geldelijke inzet wordt gevraagd. Die niet-toepasselijkheid kennen wij ook al in de Richtlijn elektronische handel. De tussencategorie is bekend en lastig: Sweepstakes met grote geldprijzen, zonder aankoopverplichting of geldelijke inzet. Deze vallen onder de definitie van promotional game in de verordening en zijn vooralsnog verboden door de Nederlandse Wet op de kansspelen. De verordening verbiedt echter de lidstaten promotional games te verbieden, indien deze aan de verordening voldoen, d.w.z. voldoen aan de desbetreffende informatieverplichtingen. [41] De Richtlijn elektronische handel laat lidstaten nog de keuze tussen al dan niet verbieden, maar dat zal dus in de toekomst afgelopen zijn. De betekenis van de informatieplichten in artikel 6 onder d. van de Richtlijn elektronische handel is dan nihil. De Nederlandse wetgever maakt zich op het moment druk over kansspelen op internet. Ter wille van het behoud van de Nederlandse concurrentiesituatie op dit terrein wordt gewerkt aan een partiële wijziging van de Wet op de Kansspelen. Die wijziging bevat gaat tal van voorschriften bevatten, die, toegepast op kansspelen zonder geldelijke inzet of aankoopverplichting in strijd zijn met de komende verordening. Het zou dus goed zijn, wanneer bij de partiële wijziging tevens de huidige definitie van het kansspel onder de loupe wordt genomen. Thans slaat die ook nog op genoemde kansspelen. In het desbetreffend kamerstuk is daarover nog niets te vinden; de huidige rechtspraak gaat ervan uit dat ook deze spelen als (in beginsel verboden) kansspelen in de zin van de wet zijn te begrijpen. [42]
Het wetsvoorstel ter implementatie van de Richtlijn vergelijkende reclame biedt op zichzelf niet zoveel bijzonders in vergelijking met de tekst van de richtlijn zelf. Wel wordt een duidelijke keuze gemaakt ten aanzien van reclame in het vrije beroep. Artikel 7 lid 5 laat de lidstaten vrij om een verbod van die reclame te handhaven of te introduceren. De toelichting kiest hier partij: “(…) dat de Richtlijn misleidende en vergelijkende reclame ook van toepassing is op reclame voor diensten die door beroepsbeoefenaren worden geleverd en op regels die organisaties van beroepsbeoefenaren stellen terzake van de geoorloofdheid van reclame, in het bijzonder van vergelijkende reclame. Deze beroepsorganisaties hebben in beginsel niet (curs. K.) de vrijheid te bepalen dat vergelijkende reclame door hun leden niet is toegelaten of aan strengere voorwaarden is gebonden dan de richtlijn toelaat. (…) De grondslag waarop deze organisaties de betreffende regels hebben opgesteld, doet in beginsel niet ter zake.” [43]
De implementatie van de richtlijn elektronische handel geschiedt door opname van bepalingen in boek 2 BW(elektronische volmacht), boek 3 BW (algemene bepalingen inzake elektronisch vermogensrechtelijk rechtsverkeer), boek 6 BW (civiele aansprakelijkheid bij elektronisch rechtsverkeer en het tot stand komen van overeenkomsten) en 54a (nieuw) WvS (strafrechtelijke aansprakelijkheid). Aan mogelijke problemen van toepasselijk recht worden geen nadere bepalingen gewijd; uitgangspunt voor de verplichtingen die de richtlijn met zich meebrengt is verder dat de Nederlandse wetgever in beginsel niet een strenger regime dient te creëren dan dat van de richtlijn. Van de mogelijkheid die de richtlijn biedt om een opt-in stelsel te kiezen voor de verspreiding van ongevraagde elektronische post, wordt geen gebruik gemaakt: aangesloten wordt bij het ten onzent al bestaande opt-out systeem met een enkele uitzondering in de Telecommunicatiewet voor automatische oproepen zonder menselijke tussenkomst waarvoor een opt-in regeling geldt.
Vergelijkende reclame en volksgezondheid zijn de trefwoorden in de rechtspraak van het HvJEG. Toshiba tegen Katun en EPI tegen de Commissie betreffen vergelijkende reclame; Konsumentenombudsmannen (KO) tegen Gourmet en DSTV tegen Commissie problemen van volksgezondheid. Het EHRM behandelde in VGT tegen Zwitserland een weigering van politieke, afbrekende reclame. [44]
Toshiba tegen Katun, de eerste uitspraak van het Hof over de richtlijn vergelijkende reclame, volgt een ruime uitleg van het begrip vergelijkende reclame. Het naast elkaar vermelden van artikelnummers van de adverteerder en van diens concurrent voldoet aan de definitie. Wanneer het inderdaad zo is dat de desbetreffende artikelen van de adverteerder geschikt zijn om in plaats van die van de concurrent te worden gebruikt, levert die vermelding bovendien een objectieve vergelijking op. De vraag waar het om gaat is of de vermelding van de artikelnummers van de concurrent een onderscheidend kenmerk opleveren en zo ja, of door die vermelding dan mogelijk oneerlijk voordeel wordt getrokken, indien de doelgroep van de vergelijkende reclame het product van de adverteerder associeert met dat van de concurrent en de reputatie van dat laatste product toeschrijft aan de adverteerder. Een objectieve vergelijking is dus niet altijd toelaatbaar. Het gaat hier dan nog niet eens om het gebruik van het merk van een ander in vergelijkende reclame, maar om het gebruik van nummers die niet door enig intellectueel eigendomsrecht kunnen worden beschermd.
Is hier dus de beperkende werking van de richtlijn aan de orde, in EPI tegen Commissie volgt uit een combinatie van het mededingingsrecht en de richtlijn juist een verruiming van vergelijkende reclame. EPI betoogde dat toepassing van het mededingingsrecht (art. 81 EG) op de beperkende reclamebepalingen in haar gedragscode voor octrooigemachtigden elk nuttig effect ontnam aan artikel 7 lid 5 van de richtlijn vergelijkende reclame dat het immers mogelijk maakt dat de lidstaten vergelijkende reclame in het vrije beroep verbieden of beperken. Het Gerecht kwalificeerde artikel 7 lid 5 echter niet als een soort van automatische uitzondering. Het oordeelde het verbod van vergelijking van de beroepsdiensten van een lid met die van een ander lid mededingingsbeperkend.
Voor Eurotica Rendez Vous, een Deens erotisch programma, mag geen reclame worden gemaakt in Engeland. De Commissie besliste dat deze beperking op de doorgifte en ontvangstvrijheid van buitenlandse televisie programma's verenigbaar was met de Televisie Richtlijn; het Gerecht van Eerste Aanleg heeft DSTV in deze zaak niet ontvankelijk verklaard. KO tegen Gourmet betreft een tijdschrift van Gourmet International Products waarvan de abonnementseditie van een nummer reclame bevatte voor whisky en voor rode wijn. De abonnees bestonden voor 90% uit bedrijven. De Zweedse wet bevat onder meer een verbod van reclame voor gedestilleerde dranken en voor (rode) wijn in tijdschriften of andere publicaties. Dat verbod geldt niet voor advertenties in de gespecialiseerde pers. Het toezenden van reclame aan particulieren is echter weer in strijd met de bepaling die terughoudendheid gebiedt bij reclame voor alcoholhoudende dranken. Het Hof oordeelt dat, gelet op het feit dat de consumptie van alcohol nu eenmaal verbonden is met traditionele gebruiken en lokale gewoonten, een publieksreclameverbod de toegang tot de markt voor producten uit andere lidstaten sterker zal bemoeilijken dan van nationale producten waarmee de consument natuurlijk meer vertrouwd is. Het gaat dus om een handelsbelemmering. Deze kan worden gerechtvaardigd om redenen van volksgezondheid. De vraag of het verbod dan noodzakelijk en proportioneel is ter bescherming van dat belang, wordt door het Hof echter geheel en al aan de nationale rechter overgelaten. Een “decision not to decide”, zoals Biondi (p. 621) opmerkt en een die afbreuk doet aan de non-paternalistische aanpak van het Hof op andere terreinen.
VGT tegen Zwitserland is een fraaie uitspraak waarbij het EHRM niet zo
angstig is om een zaak op zijn concrete merites te beslissen als het HvJEG in de
Gourmetzaak. De weigering van een als politieke reclame gekwalificeerde Tv-spot
van de Verein gegen Tierfabriken door de privaatrechtelijke reclamezender van de
Zwitserse nationale omroep, een weigering die onder meer gebaseerd was op het
verbod van politieke reclame in de Zwitserse mediawet, wordt door het Hof
minutieus tegen het licht gehouden en als niet noodzakelijk en niet
proportioneel in strijd verklaard met het recht op vrijheid van meningsuiting.
De reputatie van champagne wordt kost wat het kost ook in de rechtspraak hoog gehouden. Zij is bepaald niet tegen grapjes bestand. CIVC tegen Xenos, een uitspraak uitgerekend op 6 december gewezen, [45] betreft het aanbod van een kaars vermomd als champagnefles. Wegens de mogelijkheid van grapjes (fopcadeau) zou de reputatie van champagne worden geschaad. Het lijkt mij eerder dat de reputatie van de gulle gever wordt geschaad door deze surprise. De President overweegt nog dat een sticker met daarop de (Margrittiaanse) tekst: 'Dit is een kaars' mogelijk de onrechtmatigheid weg zou kunnen nemen. Storck tegen Verkade betreft een geval waarbij het reclamemiddel (het televisiespotje voor Werther's Original van Storck) van de concurrent belachelijk wordt gemaakt en daarmee diens product. Aan de voor die handelwijze noodzakelijke ontlening wordt door de President voorbijgegaan, omdat kennelijk de wijze waarop de reclameboodschap van de concurrent belachelijk wordt gemaakt, al reden genoeg is om van reputatieschending te spreken. [46] Regiopost Noordoost Nederland tegen PTT Post [47] ziet geen verwarring tussen twee frankeerzegels die beide hetzelfde motief, beschuit met muisjes, gebruiken, nu het motief vrij is en de overige vormgevende elementen zodanig van elkaar verschillen dat niet valt aan te nemen dat het publiek de zegels van de een voor die van de ander zal aanzien.
Shop Radio tegen Sena [48] betreft een geval waarin Shopradio niet kan bewijzen dat, zoals zij tegenover haar afnemers claimt, de door haar aangeboden muziek vrij is van Sena-rechten (naburige rechten), maar Sena anderzijds ook niet voldoende kan aantonen dat de desbetreffende muziek niet Sena-rechten vrij is. In wezen gaat het hier dus om een verdeling van de bewijslast. Nu het hier een kort geding betreft, is de rechter daarin vrij, maar ligt het toch het meest voor de hand, aldus ook de annotator, om Shop Radio op de voet van de artikelen 6:194-196 BW in eerste instantie te belasten met het bewijs van de juistheid van haar claim. De president stuurt echter beide partijen met lege handen naar huis. In Deken Arrondissement Zutphen e.a. tegen Juresta Card [49] wordt het verbod van misleiding met succes ingezet tegen de aanduiding 'Juresta Advocaten', waarachter in feite alleen een bureau met twee administratieve krachten schuilgaat en de feitelijke dienstverlening door anderen worden uitgevoerd. BMM tegen Infocom [50] betreft een ingenieuze vorm van misleiding van merkhouders en gemachtigden. De thans niet meer op te vragen website http://www.tmguide.com bevatte informatie over officieel ingeschreven merken. Informatiediensten met betrekking tot deze gegevens konden worden verkregen door overmaking van een bedrag van 394 Euro. De desbetreffende offerte lijkt verdacht veel op een factuur (met acceptgiro kaart en gegevens over de BMB-inschrijving van het merk van geadresseerde). De (onjuiste) indruk wordt gewekt van een verlenging van de inschrijving bij het Bureau. De offerte wordt misleidend geacht en er wordt een rectificatie opgelegd, waarin op grond van dat misleidend karakter de mogelijkheid moet worden geboden het reeds betaalde bedrag terug te krijgen. Movir tegen Meeùs [51] betreft een door de desbetreffende beroepsverenigingen LHV en KNFG verzonden vergelijkende reclame aan huisartsen en fysiotherapeuthen om over te stappen op een andere arbeidsongeschiktheidsverzekering (Interpolis) met het argument dat het aanbod van Interpolis tenminste gelijkwaardig is aan dat van de bestaande verzekeraar, Movir. De aanbieding is opgesteld door gedaagde, assurantietussenpersoon van Interpolis, en met toestemming en medewerking van hem verzonden. De mededeling is weliswaar een mededeling aan individuele leden van de verenigingen, maar dat is op zichzelf geen grond om deze (gestandaardiseerde) mededelingen aan te merken als persoonsgericht en niet-openbaar. Bovendien komen de mededelingen ook voor op de site van Meeùs. De claim dat de overstapverzekering gelijkwaardig is aan de bestaande van eiser, Movir, moet dus door Meeùs worden waargemaakt; nu hij daar niet in is geslaagd is de mededeling misleidend. Scarlet telecom tegen Pretium Telecom [52] betreft een prijsvergelijking tussen twee aanbieders van carrier select diensten waarbij de adverteerder het eigen eerste minuuttarief heeft weggelaten zodat de vergelijking onvolledig en daarvoor misleidend is. Tegen het gebruik van het merk als zodanig kan niet worden opgekomen, omdat merkgebruik in prijsvergelijking op zichzelf een geldige reden oplevert.
Stichting Nationale Instantloterij tegen Euroscratch [53] tenslotte betreft een geval van voorsprong door wetsovertreding (…)
De regels inzake misleidende en vergelijkende reclame en de fatsoensregels in de NRC en in de bijzondere codes zijn door de Nma gekwalificeerd als niet mededingingsbeperkend. Dat geldt evenzeer voor de regels ter handhaving van de Nederlandse Reclame Code. De Stichting Reclame Code kan dus niet meer als een kartel worden aangeduid. [54]
Nederlandse Literatuur
H.J. Boukema, 'Tulpengekte en andere ongeoorloofde reclamebeperkingen', IER 2001-4: 157-164.
J.J.C. Kabel, 'Reclamerecht on line (I)', IER 2001-6: 257-266.
H.A.G. Temmink, 'Commerciële communicatie, niet-economische belangen en het kartelverbod', in: J.W. van der Gronden en K.J.M. Mortelmans (red.), Mededinging en niet-economische belangen [Mededingingsmonografieën deel 3], Deventer: Kluwer 2001: 253-305.
R. de Vrey, 'Vergelijkende reclame: de vergelijking opgelost?', IER 2001:
164.
Annotatie bij Vzngr. Rb. Breda 16 augustus 2002, IER 2002-6, p.
329-325 ( Royal/Canin/Hill's Pet)
Vergelijkende reclame voor smaaktests gelet op de betrouwbaarheid
van die tests niet misleidend. De verkorte weergave echter wel. Annotator geeft
overzicht van de maatstaven voorvergelijkende testen en twijfelt of een van die
de maatstaven wel juist is toegepast. De door de president opgelegde
rectificatie lijkt in dit geval niet proportioneel, omdat wel vaststaat dat alle
onderzoeksresultaten een aanzienlijke voorsprong vertonen ten gunste van de
adverteerder .
1. De maatstaven die de president met betrekking tot een vergelijkende
smaaktest voor katten- en hondenvoer in dit geval, mede gelet op de bewoordingen
van de onderhavige reclame, aanlegt, zijn de volgende:
a. De vergeleken voedingen dienen onderling vergelijkbaar te zijn;
b. de testgegevens dienen te zijn verkregen op basis van waarneming van een onafhankelijke derde, indien in de advertentie het woord 'onafhankelijk' wordt gebruikt;
c. indien de onderzoeksmethode wordt aangeduid met 'internationaal aanvaard' is daarvan in ieder geval sprake indien de wederpartij die methode ook hanteert;
d. de vergeleken producten dienen representatief te zijn en dat wil in dit geval zeggen dat de tests dienen te zijn uitgevoerd met producten die in de geteste samenstelling ook zo op de markt zijn gebracht en nog zijn en dat laatste tenminste tijdens de start van de promotionele publicatie van de testresultaten;
e. een op het eerste oog als samenvattend gepresenteerde
beoordeling van de onderzoeksresultaten, dient voor alle in de advertentie
vermelde testresultaten te gelden en niet voor slechts één van de daarin
genoemde.
2. Vooropgesteld wordt in het vonnis dat vergelijkende reclame geoorloofd is, mits zij onder meer niet misleidend is, op objectieve wijze goederen vergelijkt die voor hetzelfde doel bestemd zijn en er niet toe leidt dat op de markt de adverteerder en/of zijn product wordt verward met (een product van) de concurrent. Die terminologie spoort met de tekst van het nieuwe artikel 6:194a BW dat in werking is getreden op 12 april 2002. De toelichting op de aanpassingswet gaat er van uit dat vergelijkende reclame al onder het oude recht in beginsel toelaatbaar was. Wat de nieuwe tekst biedt, is meer duidelijkheid en zekerheid omtrent de voorwaarden voor de toelaatbaarheid van vergelijkende reclame. Van fundamentele wijzigingen van de stand van het recht zou geen sprake zijn (TK 2000-2001, 27 619, nr. 3, p. 6, 10). Op zichzelf genomen lijkt dat een vreemde uitspraak omdat naast de klassieke voorwaarden (verbod van misleiden, denigreren, verwarren, overbodig aanhaken, zie D.W.F. Verkade, Ongeoorloofde mededinging , W.E.J. Tjeenk Willink: Zwolle 1986, p.162-166), thans ook in artikel 194a lid 2, sub b. en c. afzonderlijk de eis wordt gesteld dat de vergelijking goederen en diensten vergelijkt die in dezelfde behoeften voorzien of voor hetzelfde doel bestemd zijn, en op objectieve wijze een of meer wezenlijke, relevante, controleerbare en representatieve kenmerken van deze goederen en diensten met elkaar vergelijkt. Die eis had onder het oude recht geen zelfstandige betekenis. Naar de toenmalige rechtspraak dekte het misleidingsverbod die twee eisen al. Illustratief is de overweging van het Hof Den Bosch in de Huggies-zaak (Hof Den Bosch 21 september 1994, te vinden in HR 15 december 1995, NJ 1996, 509 met ann. D.W.F.V.): “Voorop wordt gesteld dat vergelijkende reclame is toegestaan, mits daarin uitsluitend wezenlijke, relevante, controleerbare en op een billijke wijze geselecteerde kenmerken van concurrerende producten of diensten worden vergeleken, deze niet misleidend is en zich niet denigrerend over een concurrent en diens merken/goederen uitlaat. Gezien hetgeen hierboven ten aanzien van de (misleidendheid) van de claims is overwogen is aan deze eisen niet voldaan.” Het is m.i. tekenend dat de beide genoemde eisen in deze uitspraak volledig opgaan in het misleidingsverbod. Nu deze eisen in het huidige artikel uitdrukkelijk naast het verbod van misleiding worden opgevoerd, lijkt er toch iets nieuws aan de hand. In theorie kan zich immers de situatie voordoen dat een claim niet misleidend wordt geacht, maar niettemin in strijd is met de eisen van artikel 194a lid 2 sub b. en c. en daarom onrechtmatig. Ik kan me zo'n geval echter moeilijk voorstellen. De uitkomst klopt, maar het onderzoek is niet goed gedaan. Is dat nu onrechtmatig? Ik meen van niet. Als dat zo is, zijn beide eisen hoogstens een hulpmiddel bij het oordeel over misleiding, maar hebben zij geen zelfstandige betekenis voor de onrechtmatigheid. Daarmee is er dus inderdaad niets veranderd.
3. Overigens dient de adverteerder, en dat is wel een lichte verandering, ook bij een claim die klopt maar betwist wordt, en ook bij een claim waarnaar wellicht in het in het geheel geen onderzoek is gedaan, indien tegen hem een vordering wordt ingesteld, ingevolge artikel 195 lid 1, tweede volzin binnen korte termijn de bewijzen aan te dragen waarop de materiële juistheid en de volledigheid van de feitelijke gegevens in de reclame rust.
4. Zijn de maatstaven juist en zijn zij juist toegepast? Dat hangt van het uitgangspunt af. Bezien vanuit het juridische standaardbeeld van de verstandige consument zou men denken dat de geloofwaardigheid van een commerciële vergelijking per definitie niet groot is. Bezien vanuit het standpunt van de concurrent wiens producten in het onderzoek betrokken worden, geldt dat het ingevolge de leer in Pokon/Substral (HR 29 maart 1985, NJ 1985, 591) hoe dan ook oneerlijk is met onjuiste suggesties een voorsprong in de concurrentie te behalen.
5. De claim van Substral tegenover Pokon in die zaak was: S. is voordeliger, want U heeft per liter water minder nodig. Daaruit zou af te leiden zijn dat Substral meer geconcentreerd was. In feite bevatte Pokon echter 21% geconcentreerde voedingsstoffen en Substral 15%, maar was de maatdop van Pokon 10 ml en die van Substral 7 ml. Het effect op de plantjes bleek in beide gevallen hetzelfde. Substral was dus inderdaad zuiniger en ook goedkoper in het gebruik, hoewel duurder in aanschaf (fl. 5, 25 t.o. fl. 4, 95; 70% van 5, 25 = fl. 3, 67). Dat leidde het Hof tot de stelling dat Pokon voor de onrechtmatigheid van Subtral's claim had moeten bewijzen dat Substral minder goed was. De HR oordeelde echter dat ook wanneer het produkt even goed was of zelfs beter, er toch sprake is van misleiding indien men het publiek onjuist voorlicht over de samenstelling (i.c. de concentratie aan voedingsstoffen) van het produkt. De suggestie, af te leiden uit de claim 'zuiniger in het gebruik', te weten 'meer geconcentreerd' , was dus tegenover de concurrent onrechtmatig, hoewel de claim op zichzelf niet onjuist was.
6. In het onderhavige geval worden de claims: '9 van de 10 geteste honden', en '8 van de 10 geteste katten vonden het product van Hill's lekkerder dan dat van Royal Canin' via een gele kleuraanduiding en plaatsing ernaast verbonden met één van de zes onderzoeksresultaten dat inderdaad die verhouding weergeeft. De andere vijf staafdiagrammen geven andere (maar nog steeds voor Hill betere) verhoudingen aan. De verstandige consument die de rechter per definitie is, is de desbetreffende kleur- en plaatsverbinding aanvankelijk niet opgevallen, zodat hij oordeelt dat de publicatie ten onrechte suggereert dat de claim op alle zes onderzoeksresultaten betrekking heeft. Zoals eiser ook al stelt, leert een eenvoudige rekensom, dat zulks niet het geval is. Het publiek bestaat deels uit deskundigen (dierenartsen, speciaalzaken e.d.), deels uit consumenten. Deskundigen worden verondersteld te kunnen rekenen. Opvallend is, dat, voorzover ik uit het vonnis kan afleiden, in de consumentenfolder de bovengenoemde specifieke claims niet worden gebezigd maar alleen de algemene claim: 'honden en katten geven de voorkeur aan, etc...' (zie r.o. 3.1.). Die laatste claim is gelet op de onderzoeksresultaten zonder meer juist.
7. De maatstaven die de president aanlegt beogen alle misleiding te voorkomen en zijn in zoverre juist. Ik twijfel echter of de laatste maatstaf juist is toegepast. De mogelijke suggestie dat de claim van toepassing is op alle onderzoeksresultaten is inderdaad ingevolge de leer Pokon/Substral onrechtmatig vanuit een concurrentiestandpunt. De veronderstelling daarbij is echter dat de consument verkeerd wordt voorgelicht. Daarvan is in de publicatie die op die consument is gericht echter geen sprake, omdat het daarin, voorzover ik kan overzien, alleen om een algemene en, gelet op de door de rechter als juist beoordeelde onderzoeksresultaten, juiste claim gaat. Voorzover het deskundig publiek als consument wordt beschouwd, zou toch tenminste met die deskundigheid rekening moeten zijn gehouden en zou aannemelijk zijn dat dat publiek de specifieke claim op het desbetreffende onderzoeksresultaat had kunnen betrekken. Het blijft in dit soort zaken vreemd, dat die aannemelijkheid niet feitelijk komt vast te staan door middel van een onderzoek onder die doelgroep, maar staat of valt met het oordeel van een president.
8. Uit de formulering van de rectificatie valt echter op te maken dat de president ervan uit is gegaan dat de specifieke claim ook het gewone consumentenpubliek heeft bereikt. Laten we eens aannemen dat dat publiek inderdaad verkeerd wordt voorgelicht door genoemde suggestie. Is de door de president geboden formulering van de rectificatie dan juist? M.i. zal de gewone consument uit de formulering van deze rectificatie niets anders kunnen afleiden dan dat er iets grondig mis is met het honden- en kattenvoer van Hill's. De enkele zinsnede dat de voorzieningenrechter de overige uitlatingen niet misleidend acht, is te weinig om die suggestie weg te nemen. Het lijkt erop dat de president zich schuldig maakt aan hetzelfde feit dat hij veroordeelt.
9. Dat doet de vraag rijzen naar de gronden voor deze
rectificatie. Rectificatie is een ingrijpende sanctie die dient te voldoen aan
de eis dat zij geschikt is en niet verder gaat dan nodig is om de toegebrachte
schade weg te nemen. De vraag of een rectificatie moet worden opgelegd, is dan
afhankelijk van de vraag of de geconstateerde onjuiste voorlichting de
adverteerder een onrechtmatige voorsprong verschaft tegenover de eisende
concurrent die alleen maar door rechtzetting kan worden opgeheven. Wanneer de
consument, ondanks een gedeeltelijk onjuiste voorlichting, met gedaagde's
product in feite toch beter af is, kan dat een reden zijn om de voorsprong niet
als onrechtmatig te beschouwen. Nu vaststaat dat de zes onderzoeksresultaten
alle zes een aanzienlijke voorsprong vertonen ten gunste van de adverteerder,
lijkt de door de president geformuleerde rectificatie niet proportioneel. In het
Pokon/Substral geval, waar een rectificatie tot de mogelijkheden behoorde, was
de voorsprong niet aanwezig: het maakte eigenlijk niet veel uit wat de consument
gebruikte; met zeven mililiter Pokon was hetzelfde resultaat bereikt als met
zeven mililiter Substral. Van de geclaimde voorsprong was dus eigenlijk geen
sprake. Zie voor een geval waarin een rectificatie geweigerd werd om deze reden
(enkele onjuistheid, maar wel een daadwerkelijke voorsprong): Hof Amsterdam 6
juni 1985, BIE 1986, 67; zie voorts Pres. Rb. Breda 29 juli 1993, IER
1993-6, p. 175-180 met annotatie JK en de daar vermelde literatuur
Annotatie bij RCC 16 augustus 2002 (en RCC 16 augustus 2002, IER 2002-6, p. 335-336 (Campina I en Campina II)
Twee verschillende uitspraken over een en dezelfde reclamespot. Te rechtvaardigen vanwege verschillend tijdstip en bijbehorende context van de uitzending. Nu de veroordeelde spot qua inhoud niet ontoelaatbaar werd geacht, was een veroordeling wegens strijd met het algemeen belang, in plaats van zoals nu strijd met het fatsoen, beter op zijn plaats geweest.
Dezelfde reclamespot, verschillend uitzendtijdstip. Uitgezonden na de dodenherdenking op 4 mei in strijd met de goede smaak geacht, op een ander tijdstip niet. Het lijkt Borges wel, die er in een van zijn verhalen in slaagt om de lezer te overtuigen van het feit dat onze tijdgenoot die Cervantes' Don Quichotte heeft overgeschreven, toch een geheel andere roman heeft geschreven dan Cervantes (Jorge Luis Borges, 'Pierre Menard, Author of the Quixote', Labyrinths , King Penguin 1981, p. 62-72). Op het eerste oog is er verder m.i. niets bijzonders aan de hand. In de eerste zaak geeft de adverteerder zelf al onmiddellijk toe dat de uitzending ongelukkig was en het gevolg van een misverstand. De Commissie kan dan voor open doel scoren. Dat eenzelfde reclame-uiting in de ene context een andere betekenis heeft dan in de andere, is op zichzelf niets bijzonders. Een dergelijke benadering van de werkelijkheid kennen wij al sinds Marcel Duchamps in 1917, te New York (onder het pseudoniem R. Mutt) zijn beroemde 'Fontaine' van de vuilnisbelt naar het museum verplaatste. De reclamewereld zal zich na 11 september, evenals de filmwereld dat heeft gedaan, al zelf hebben onthouden van spots die haar image in dat opzicht schade zouden hebben kunnen toebrengen. In dat verband is het echter wel opmerkelijk dat de RCC haar aanbeveling in dossier 0273.B niet heeft gestoeld op overtreding van de regel dat reclame naar vorm en inhoud zodanig behoort te zijn dat het vertrouwen in de reclame niet wordt geschaad. Het was dan duidelijker geweest dat een inhoudelijk als niet onfatsoenlijk beoordeelde reclame, door de keuze van het tijdstip van uitzending niettemin in strijd met de Nederlandse Reclame Code kan zijn.
Sinds 1 januari 2002 is een nieuwe beroepsinstantie in het leven geroepen
door de aangesloten leden bij de Stichting KOAG/KAG, te weten de Code Commissie
KOAG/KAG. Thans kunnen de preventieve goedkeuringsbeslissingen van de
Keuringsraad KOAG/KAG over reclame uitingen voor Gezondheidsproducten in beroep
opnieuw worden getoetst. Zowel de adverteerder zelf, als overige
belanghebbenden, waaronder concurrenten of de overheid, kunnen beroep instellen
bij de Code Commissie tegen weigering van een goedkeuringsstempel cq verlening
van een goedkeuringsstempel.
CC KOAG/KAG 13 maart 2002, IER 2002-3, p. 154-158 (Chefaro/Keuringsraad)
Uitspraak met principiële overwegingen inzake het onderscheid tussen medische en gezondheidsclaims van een nieuwe beroepsinstantie, de Code Commissie KOAG/KAG. Nauwkeurige en gedetailleerde toetsing van de diverse claims. De Commissie heeft daarbij oog voor de dynamiek van de taal als onderdeel van de reclame.
Dit is de eerste uitspraak van de Code Commissie KOAG/KAG sinds haar oprichting.
De uitspraak bevat direct een principiële overweging waar de Code Commissie
overweegt dat: “De Codecommissie (...) het tot haar taak (rekent), indien
en voorzover haar oordeel hieromtrent wordt gevraagd, in dit spanningsveld een
weg te wijzen. Daarbij zullen veeleer grenzen worden vastgelegd dan grenzen
worden verlegd, gelet op het belang van een heldere normstelling ter voorkoming
van misleiding van of misverstanden bij het publiek omtrent de werking van en
het onderscheid tussen geneesmiddelen en gezondheidsproducten. Daarbij zal
evenwel de dynamiek van de taal als onderdeel van de reclame een plaats moeten
krijgen en zal van de indicatieve lijst geen onnodig verstarrend effect mogen
uitgaan.
De komende tijd zullen ongetwijfeld op basis van de uitspraken van deze beroepsinstantie nadere richtlijnen ontstaan voor de uitleg van de indicatieve lijst van de Leidraad KOAG/KAG betreffende de vraag wanneer al dan niet sprake is van (een toespeling op) een medische claim. Het ligt in de bedoeling dat de uitspraken ook op de website van de KOAG/KAG zullen worden vermeld.
RCC 20 november 2001, IER 2002-2, p. 111-113 (R. Kits/EasyJet
Airline)
Aan KLM-symbool (zwanen) refererende uitingen van
easyJet niet te beschouwen als vergelijkende reclame, maar als mededelingen
omtrent eigen aanbod adverteerder. Mogelijk kleinerend effect gecorrigeerd door
duidelijk humoristisch bedoelde manier van verwijzen naar KLM. Annotator stelt
vragen naar verhouding met uitleg door HvJEG inzake Toshiba/Katun van de
richtlijn inz. misleidende en vergelijkende reclame.
1. Vul in voor 'zwanen' 'KLM' en de claims van easyJet in de radiospots luiden ongeveer: “KLM schrikt zich rot”, “KLM uit het lood geslagen”, “Forse uitbreiding van easyJet op Schiphol“ ”easyJet spotgoedkoop”, “easyJet. supervoordelig”. Wordt hier een vergelijking gemaakt tussen easyJet en KLM? Nee, aldus de RCC: het gaat hier om eenzijdig ophemelende reclame waarin alleen de aandacht wordt gevestigd op het aanbod van de adverteerder. Art. 14 van de Nederlandse Reclame Code is dus niet van toepassing. Opmerking verdient dat art. 14 ten tijde van de behandeling van deze klacht gelijkluidend was aan de relevante tekst van Richtlijn 97/55/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 oktober 1997 (Pb. L 290, blz. 18) inzake vergelijkende en misleidende reclame. Artikel 14 NRC bevat sinds de wijziging van oktober 2000 de letterlijke tekst van artikel 3bis lid 1 en 2 van deze richtlijn. Vast staat wel dat het gebruik van het woord 'zwanen' ondubbelzinnig verwijst naar een advertising property van KLM. In zoverre zijn de zwanen van KLM een onderscheidend kenmerk in de zin van artikel 3bis lid 1 sub g. van de Richtlijn.
2. Spotgoedkoop, resp. supervoordelig is inderdaad, op zichzelf genomen, niet te beschouwen als een prijsvergelijking met de tarieven van KLM, maar als een kwalificatie van het aanbod van easyJet. Dat KLM zich “rot schrikt” en “uit het lood geslagen is” als gevolg van de forse uitbreiding van easyJet op Schiphol, kan zonder meer niet als een echte vergelijking worden gezien.
3. De klacht in gediend door zekere Kits, niet door KLM. Klager stelt dat de reclame kleinerend is en dat de diensten van KLM en easyJet niet vergelijkbaar zijn, onder meer omdat KLM ook eten en drinken aanbiedt tijdens de vlucht. Als gezegd wordt het laatste argument verworpen omdat het niet om een vergelijking zou gaan; het eerste argument wordt afgedaan met de het bekende tovermiddel van de RCC: de verwijzing naar KLM geschiedt op een duidelijk humoristisch bedoelde wijze. Interessant is dat de RCC oordeelt dat de reclamespot ook niet in strijd is met de wet. Ik kom daarop terug.
4. Men kan vrede hebben met deze uitslag, omdat KLM zelf niet optreedt, aan te nemen valt dat de RCC heeft onderzocht of het niet om een stroman van KLM gaat – in dat geval liggen namelijk de kosten verbonden aan de klacht hoger – en wij allemaal weten hoe het zit: inderdaad, geen gratis hapjes, maar wel goedkoper en een handiger incheck systeem. Bovendien verruimt een uitspraak als deze de mogelijkheden voor vergelijkende reclame en dat is op zichzelf bezien een goede zaak.
5. Maar nu het recht. Ingevolge HvJEG in C-112/99 van 25 oktober 2001 inzake Toshiba/Katun (zie mijn annotatie in IER 2002-1: 44-51 ; verder: E.R. Vollebregt in NTER 2002-1/2: 14-17) is in dit geval zonder meer sprake van vergelijkende reclame in de zin van de richtlijn. Het gaat hier immers om een vorm van reclame waarbij een concurrent dan wel door een concurrent aangeboden goederen of diensten impliciet worden genoemd. Artikel 3 bis, lid 1 van de richtlijn bepaalt nu dat deze vorm van reclame , wat de vergelijking betreft , geoorloofd is op voorwaarde dat deze: - en ik noem hier alleen de voor deze zaak relevante voorwaarden - a) niet misleidend is; b) goederen of diensten vergelijkt die in dezelfde behoeften voorzien of voor hetzelfde doel zijn bestemd; c) op objectieve wijze een of meer wezenlijke, relevante, controleerbare en representatieve kenmerken van deze goederen en diensten, waartoe ook de prijs kan behoren, met elkaar vergelijkt; e) niet de goede naam schaadt van of zich niet kleinerend uitlaat over de merken, handelsnamen, andere onderscheidende kenmerken, goederen, diensten, activiteiten of omstandigheden van een concurrent; en g) geen oneerlijk voordeel oplevert ten gevolge van de bekendheid van een merk, handelsnaam of andere onderscheidende kenmerken van een concurrent.
6. Wij hebben in Toshiba/Katun al gezien dat het hierboven cursief aangeduide begrip vergelijking in het zinsdeel wat de vergelijking betreft iets anders moet betekenen dan de term 'vergelijkende' in de definitie van vergelijkende reclame (zie IER 2002-1: 50-51, nr. 7). De laatste term gaat over de (ruime) omvang van het begrip vergelijkende reclame, de eerste term gaat over de inhoud van de vergelijking. De voorwaarden van de richtlijn hebben betrekking op die inhoud, dus op echte vergelijkende claims. Is daar in dit geval sprake van? Die vraag komt allereerst neer op de vraag of de aanduidingen 'spotgoedkoop' en 'supervoordelig' in de gehele context van de radiospot kunnen worden uitgelegd als: goedkoper dan KLM. Uit Toshiba/Katun kan worden afgeleid dat het loutere refereren al een aannemelijk te maken gelijkwaardigheidclaim inhoudt. Er is m.i. dus wat voor te zeggen om in dit geval de claim van easyJet zo uit te leggen dat het hier gaat om een prijsvergelijking die in het voordeel uitvalt van adverteerder, ondanks het gegeven dat er geen comparatief wordt gebruikt (voordeliger of goedkoper). Wanneer dat zo is, dient van adverteerder bewijs gevraagd te worden van zijn claim. De RCC slaat die vraag over, omdat zij ervan uitgaat dat hier geen sprake is van vergelijkende reclame. De RCC oordeelt wel over het gestelde kleinerende karakter van de radiospots, maar doet dat uiteraard niet in het kader van artikel 3bis sub e) van de richtlijn; tenslotte overweegt zij niets m.b.t. tot het mogelijk oneerlijk voordeel dat easyJet zou trekken van de bekendheid van KLM's zwanen, maar nogmaals: dat behoeft zij ook niet te doen omdat zij van mening is dat er geen sprake is van vergelijkende reclame.
7. Moet de RCC zich echter iets aantrekken van het Europese recht? Een eerste antwoord moet, gelet op de letterlijke overname in artikel 14 NRC van de tekst van artikel 3bis van de richtlijn, uiteraard bevestigend luiden. Wat heeft het anders voor zin om die bepaling zo letterlijk over te nemen? Bovendien: de uitspraak van de RCC (november 2001) is gewezen na Toshiba/Katun (oktober 2001). Ius curia novit. 8. Maar is de RCC wel als curia te bestempelen? Bij nader inzien ligt het niet zo eenvoudig. De RCC is, als zelfreguleringorgaan niet verplicht om zich aan de richtlijn te houden omdat artikel 10 EG (de loyaliteit aan de EG) niet geldt voor de RCC. De Commissie valt dus niet aan te spreken op eventuele onrechtmatigheid van haar uitspraak op grond van het in de wind slaan van EG-recht. De RCC zou zich intussen wel aan de Nederlandse wet moeten houden, en die is zoals het HvJEG de bepalingen van de richtlijn interpreteert. Dat gegeven lijkt nog eens te worden benadrukt doordat artikel 2 van de NRC zelf bepaalt dat reclame in overeenstemming dient te zijn met de wet.
9. Het gaat hier om een (naar ik aanneem) STER-radiospot. Ingevolge artikel 61a Mediawet (Mw.) draagt de STER er zorg voor dat zij is onderworpen aan het toezicht van de Stichting Reclame Code. Een privaatrechtelijk orgaan (STER) wordt hier dus wettelijk verplicht aanbevelingen op te volgen van een ander privaatrechtelijk orgaan (SRC). Wat betekent dat voor de Europeesrechtelijke status van de aanbevelingen van de RCC? Allereerst zijn de aanbevelingen zelf van de RCC vrijblijvend. Niettemin lijkt me dat een stelselmatige weigering door STER reden kan zijn voor overheidsoptreden door het CvdM op grond van niet-naleving van artikel 61a Mw. Zo vrijblijvend is het systeem dus niet. In Queen v Royal Pharmaceutical Society of Great Brittain (HvJEG 19 mei 1989, C-266 en 267/1987) beoordeelt het Hof de Europeesrechtelijke status van de maatregelen uitgevaardigd door de (privaatrechtelijke) Royal Pharmaceutical Society. De Britse wetgever heeft aan een Commissie van deze maatschappij disciplinaire bevoegdheden toegekend die onder meer verwijdering uit het apothekersregister (en bijgevolg het niet meer kunnen uitoefenen van het beroep van apotheker) tot gevolg kan hebben. Het Hof oordeelt dat dergelijke maatregelen kunnen worden gekwalificeerd als maatregelen in de zin van het oude art. 30 (thans 28) EEG-verdrag. Zo er dus een mogelijk handelsbelemmerend uitgaat van de uitspraken van de RCC in zaken van radio- en televisiereclame, lijkt gegeven dat de RCC in ieder geval rekening moet houden met primair Europees recht. De volgende stap is dat de wettelijke delegatie die dus, op basis van deze uitspraak, opgesloten is in art. 61a Mw., de RCC verplicht tot richtlijnconforme uitleg, lees uitleg conform de uitleg die het HvJEG geeft aan de Richtlijn. Daarbij zou dan in ieder geval de desbetreffende uiting als vergelijkende reclame moeten zijn gekwalificeerd op grond van de uitspraak van het Hof in Toshiba/Katun, met alle mogelijke consequenties van dien voor de wijze van beoordeling van de toelaatbaarheid van de reclame. Dat hoeft intussen niet tot een ander eindoordeel te leiden. Het gaat om de methode.
10. Na afsluiting van de kopij nam ik kennis van RCC 22 januari 2002, dos. 01.0601 (UPC/KPN). Een voortreffelijke uitspraak, vergeleken met de hierboven geannoteerde. Ik citeer: “Mede gelet op het karakter van harmonisatie op grond van deze richtlijn (Richtlijn 97/55, toev. Ann .) komt de Reclame Code Commissie geen vrijheid toe om andere normen voor de toelaatbaarheid van vergelijkende reclame te hanteren. Artikel 14 NRC is met het oog daarop geheel in overeenstemming gebracht met de richtlijn. Bij de uitleg en toepassing van het artikel, gaat de Commissie te rade bij het doel van de Richtlijn.”
[Note 1] Zie Karel Berkhout, 'Kredietregistratie leidt tot woede en opluchting', NRC-Handelsblad 1 februari 1997, p. 21.
[Note 2] Ondernemingen die kredieten verlenen beneden de € 454,- hebben geen toetsingsplicht, omdat het BKR geen kredieten beneden dat bedrag registreert.
[Note 3] Memorie van Toelichting, p. 49.
[Note 4] TK, Nota naar aanleiding van het Eindverslag, p. 26-26.
[Note 5] Memorie van Toelichting, p. 32.
[Note 6] Zie met name de Toelichting bij artikel 4 van de VFN-Gedragscode van 26 april 2001 over de behandeling van kredietaanvragen, gepubliceerd in de Schuurman & Jordens editie van de Wet op het consumentenkrediet.
[Note 7] Zie ook: J.L. Gerards en E.J. Snijders, 'De toekomst van Tiel: Bureau Registratie? In gesprek met H. Rip, (voormalig, toev. JK) Directeur Bureau Kredietregistratie', Bank- en Effectenbedrijf november 1993, p. 6-11. Vgl. verder M.G. Veltman en C.J. van Doorn, ''De Stichting Bureau Krediet Registratie', in: Handboek Privacy Bescherming Persoonsregistratie, Alphen aan den Rijn: Samsom (losbladig), hoofdstuk 2354, p. 1-19; Kredietregistratie BKR, Rapport van de Registratiekamer, Rijswijk, juni 1996.
[Note 8] Vgl. over die profilering Christian Koch, 'Scoring-Systeme in der Kreditwirtschaft. Einsatz unter datenschutzrechtlichen Aspekten', MMR 1998-9. p. 458-463; zie ook Credit Scoring Database, Rapport van de Registratiekamer, juni 1996.
[Note 9] BKR, Jaarverslag 2001.
[Note 10] Zie aldus uitdrukkelijk de Minister van Justitie bij de behandeling van het voorstel voor de Wpr, Kamerstukken II 1987, 97-5010: een volledige zekerheid zou alleen te krijgen zijn na een grondig en tijdrovend onderzoek, waarvoor in de praktijk veelal niet de ruimte zal bestaan.
[Note 11] Kamerstukken II 1984/85, 19 095, nrs. 1-3, p. 41.
[Note 12] Zie t.a.v. verzekeringen RK 4 februari 1994, 93.C.101, Persoonsgegevens beschermd, Den Haag: Sdu 1999, p. 157-158; t.a.v. kredieten: RK 18 juni 1996, 95. C..013, Persoonsgegevens beschermd, Den Haag: Sdu 1999, p. 276-279.
[Note 13] Vgl. ook Registratiekamer, Jaarverslag 1989-1991, Rijswijk, p. 31: “Het BKR heeft zich kunnen vinden in de opvatting van de Registratiekamer dat de centrale kredietregistratie wordt gehouden door haarzelf en niet door de groep van aangesloten instellingen.” Een andere opvatting zou de zorgplicht wettelijk leggen op de aangesloten instellingen.
[Note 14] Kamerstukken II 1997/98, 25 892, nr. 3, p. 97.
[Note 15] Kredietregistratie BKR. Rapport van de Registratiekamer, juni 1996, p. 21-22.
[Note 16] Olga Estadelle-Yuste en Jan J.C. Kabel , Law and practice on data protection with regard to mailing lists, credit reference and some other professional information services in the EC compared with the amended EC Draft Directive , Amsterdam 1993.
[Note 17] ZEK Jahresbericht 2001, p. 9.
[Note 18] Hof Arnhem, te kennen uit HR 18 april 1958, NJ 1958, nr. 308.
[Note 19] Hof Amsterdam 18 december 1974, NJ 1975, nr. 441.
[Note 20] HR 1 maart 1968, NJ 1968 nr. 221.
[Note 21] Betekenis ten tijde van de uitspraak : 'Al dan niet na achterstand wordt een bedrag van f 250,- of meer al dan niet tegen finale kwijting, afgeboekt, of de schuldbemiddeling is mislukt.'
[Note 22] Pres. Rb. Amsterdam 1 december 1988, KG 1989, nr. 14 (K/ IDM Bank N.V. en het Bureau Krediet Registratie).
[Note 23] Hof Arnhem 11 november 1985, NJ 1987, nr. 994.
[Note 24] Hof Amsterdam 16 mei 1991, KG 1991, nr. 226 (Rabobank Woerden & Stichting Bureau Kredietregistratie/C en B).
[Note 25] Hof den Haag 4 maart 1993, rolnr. 170 R 92.
[Note 26] Hof Arnhem 23 november 1999, rolnr. 98/110.
[Note 27] Communication from the Commission on sales promotions in the Internal Market, Proposal for a Regulation, Brussel 2 oktober 2001, COM(2001) 546 final: 2.
[Note 28] Zie over de gevaren die kinderen in dit opzicht lijken te bedreigen: Patty Valkenburg, Beeldschermkinderen en de reactie daarop van Herbert Blankestein in NRC Handelsblad van januari 2002.
[Note 29] Richtlijn 98/43/EG van 6 juli 1998, vernietigd door HvJEG 5 oktober 2000, C-376/98, NJ 2001: 154 (Duitsland tegen EP en Raad van de EU).
[Note 30] Voorstel voor een Richtlijn betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen van de lidstaten inzake de reclame en sponsoring voor tabaksproducten, Brussel 30 mei 2001, COM(2001) 283 definitief.
[Note 31] Green Paper on European Consumer protection, Brussel 2 oktober 2001, COM(2001) 531 final.
[Note 32] Zie bijvoorbeeld Wouter Hins, 'Frank en vrij, Opinie', Mediaforum 2000-1: 1.
[Note 33] Zie daarover de bijdrage van Hoogenraad in deze kroniek.
[Note 34] Wijziging Tabakswet, 26 472; Alcoholnota 2001-2003, 27 565; Kansspelen op internet, 24 036.
[Note 35] Vergelijkende reclame, 27 619; Aanpassingswet richtlijn inzake elektronische handel, persbericht Justitie 6 juli 2001.
[Note 36] Handelingen TK 31 mei 2001, 82-5180.
[Note 37] TK 2000-2001, 26 472, nr. 7: 8.
[Note 38] Zie bijvoorbeeld het straks te bespreken arrest Konsumentenombudsmannen tegen Gourmet, HvJEG 8 maart 2001, C-405/98 .
[Note 39] Rapport wettelijke ondersteuning zelfreguleringsafspraken , Publ. nr. 20, 5 september 1989: 27.
[Note 40] TK 2001-2002, 27 565, nr. 19: 24.
[Note 41] Zie Art. 3 van het voorstel voor een Verordening en bijbehorend Annex onder 4.
[Note 42] Zie aldus nog Hof den Bosch 18 juni 1998, NJ 1999, 726.
[Note 43] MvT TK 2000-2001, 21 619, nr. 3: 8-9. Zie ook het straks te behandelen arrest van het GvEA inzake EPI tegen Commissie.
[Note 44] HvJEG 25 oktober 2001, C-112/99, IER 2002-1 met ann. JK (Toshiba tegen Katun); GvEA 28 maart 2001, T-144/99 (EPI tegen Commissie EG), zie daarover E.R. Vollebregt, 'Vergelijkende reclame in vrije beroepen: de octrooigemachtigden slaan terug', NTER 2001-7/8: 187-189; HvJEG 8 maart 2001, C-405/98 (Konsumentenombudsmannen tegen Gourmet), zie daarover E.R. Vollebregt, 'Het accent verschuift naar markttoegang', NTER 2001-6: 145-147 en Andrea Biondi, 'Advertising alcohol and the free movement principle: the Gourmet decision', (2001) 26 E.L.Rev .: 616-622; GvEA 13 december 2000, T-69/99 (DSTV tegen Commissie); EHRM 28 juni 2001, Mediaforum 2002-2 met ann. Jan Kabel (VGT tegen Zwitserland).
[Note 45] Pres.Rb. Den Haag 6 december 2000, BIE 2001-11: 424-427.
[Note 46] Pres. Rb. Haarlem 26 juni 2001, IER 2001-5 : 252-255 met ann. FWG.
[Note 47] Pres. Rb Den Haag 29 maart 2000, BIE 2001-6: 211-212.
[Note 48] Pres. Rb. Amsterdam 23 november 2000, AMI 2001-2: 54-56 met ann. D.J.G. Visser.
[Note 49] Pres. B. Zutphen 7 mei 2001, Elro AB1456.
[Note 50] Hof Amsterdam 14 september 2000, BIE 2001-7: 239-243.
[Note 51] Pres. Rb. Breda 22 januari 2001, BIE 2001-2:67-69.
[Note 52] Pres. Rb. Haarlem 19 juli 2001, verkort in Mediaforum 2000-10: 304.
[Note 53] (…) KG 2001: 68.
[Note 54] Nma nr. 502 van 12 juli 2001.